koop tickets online

Retro - Bram Vandenbussche

Retro

Bram Vandenbussche
 

"Voetbal: oorlog of feest?"


Hoelang, lezer, heb je Bram Vandenbussche in Cercleshirt zien strijden op het groene veld?  Zelfs meer dan twintig jaar is niet uitgesloten!  Naar zijn eigen zeggen, deed hij dat “met het mes tussen de tanden”.  Wat vermoed je dat hij antwoordde op de vraag of voetbal oorlog is of feest?  Ik heb die vraag al aan heel wat ex-Cerclespelers gesteld, maar Brams antwoord was uniek.  Spitsvondig was het, maar vooral knap.  Dat hoeft je niet te verwonderen, want net als Eddy Snelders is Bram ‘niet de eerste de beste’.  En zo zadel ik je voorlopig met twee open vragen op: wat komt Eddy Snelders hier te doen in dit interview, en wat was dan wel Brams antwoord op de gestelde vraag?  Wel zoals een match geen seconde eerder ten einde is dan wanneer de ref affluit, zo ook kom je pas bij het eindpunt van de slotbeschouwing alles te weten dat Bram te vertellen had…

Het zag er eerder beroerd uit voor Groen-Zwart toen het op 14 februari 2005 naar het Kiel trok om er Beerschot te bekampen.   Bij Cercles tweede jaar in Eerste na de promotie halfweg 2003 dreigde de degradatiezone dichtbij te komen, en niet alleen voor de nieuwe trainer, Harm van Velthoven, was het bijzonder belangrijk niet verder naar die gevarenzone af te glijden.   Bram, is die wedstrijd op Beerschot vast in je geheugen blijven steken?
 

Samen met de promotie bijna twee jaar voordien en de viering ervan op de Brugse Markt en alles eromheen, is de match waar je het over hebt iets wat nog in mijn geheugen gegrift is.  Mijn schoonmoeder heeft bergen documentatie over mijn Cerclecarrière bijeengesprokkeld, maar die heb ik niet nodig om de beslissende beelden van die match opnieuw voor ogen te zien.   Beerschot opent de score: 1-0.   Jan Masureel stelt gelijk: 1-1.  We komen weer op achterstand: 2-1.  ‘Smetje’ brengt de bordjes opnieuw in evenwicht: 2-2.  En wat lukt mij in de 88ste minuut?   Op corner schiet ik de bal in de verste kruising, 2-3!   Een gouden zaak was dat voor ons team, voor spelers,  trainer en supporters.  En een lofzang was het op Cercles jeugdopleiding: driemaal raak, driemaal door een eigen jeugdproduct!

Cerle Brugge KSV

Het ontging ook de pers niet dat drie volbloed jeugdspelers van Groen-Zwart dit hadden klaargespeeld.  Jarenlang heeft na de wedstrijd een krantenartikel met een foto van het succesrijke trio uitgehangen in een vergaderzaal van Jan Breydel.  Vandaar dat het ook mij levendig bijgebleven is.   Op  blz. 83 van “115 jaar Cercle Brugge in een notendop” tref ik een foto aan waaronder te lezen staat: “Drie van eigen kweek”.  Jij bent één van de drie, maar de andere twee zijn niet de andere doelschutters van op Beerschot.  Het zijn Frederik Boi en Denis Viane.  Blijkbaar kon Cercle trots gaan op  een vruchtbare kweekvijver!


Hoe komt het dat ik als 6-jarig kind een voetballertje bij Cercle werd?  Mijn vader was toen niet zo ‘groen’ als hij nadien geworden is, maar hij zag hoe enthousiast ik tegen de bal trapte en hij kende de goede reputatie van Cercles Voetbalschool.  Ik heb alle jeugdreeksen doorlopen, van ‘voetbalschool’ naar preminiem, miniem, cadet, scholier, junior, reserve, eerste.

Cerle Brugge KSV

Dat was heel normaal toen.  Het leek wel automatisch: iedere 2 jaar een nieuwe categorie.  Tegenwoordig ziet het er heel anders uit.  Niet alleen is er een andere indeling in categorieën, van U(nder)-8 tot U-21, maar er wordt nu ook streng geselecteerd.  Zoontje Matizze heeft nu één jaar Cercle achter de rug.   Zoals bij alle jeugdspelers kwam het erop aan rond Kerstdag en rond Pasen een positieve evaluatie te hebben, want ieder jaar vernemen U-spelers en -spelertjes dat het bij Cercle niet langer kan.  Dat kan zwaar aankomen.  Vóór Cercle was Matizze al drie jaar bij Varsenare aangesloten, en, jawel,  bij ‘de Groentjes’ heeft hij tijdens dat eerste jaar toch wel laten zien dat het met zijn voetbalgenen niet slecht zit…  Hij heeft natuurlijk het voordeel dat ik hem soms wat kan bijsturen, dat ik hem erop kan wijzen wat hij goed doet en wat beter kan.

Goed zo.  Prima.  Eerste klas.  Maar, toch wel, opgepast!  Wat vertelt Kristof Snelders in het vorige Shotinterview van een oud-Cerclespeler?  Dat hij het altijd op de heupen kreeg als zijn vader rond het veld stond.  Altijd, van kindsbeen af, was het voor Kristof een opluchting als zijn vader niet kwam ‘supporteren’.  Waar ook zoonlief  in de buurt van de bal kwam, vaders stem klonk hem zo luid in de oren dat hij er al zijn zelfvertrouwen bij verloor.  En, ja, Kristofs vader, dat is niet de eerste de beste, hé, dat is Eddy Snelders!

Geen paniek!  ‘k Ben ik ook de eerste de beste niet.  Ik weet maar al te goed hoe belangrijk zelfvertrouwen is voor een voetballer, en dat niets meer stimuleert dan positieve feedback.  Neen, van goedbedoelde maar terneerdrukkende kritiek zal Matizze niet veel te klagen hebben. Wat wens ik voor Matizze bij Cercle?  Juist hetzelfde als wat hij verlangt: dat hij samen met vriendjes met veel plezier kan voetballen.

Je hebt meer dan 200 officiële wedstrijden in Cercles eerste elftal gespeeld, Bram.  Als verdediger scoorde je tijdens je eerste veertig matchen zes doelpunten, daarna trof je  slechts negen keren raak in 166 beurten.   Het eerste is merkwaardiger dan het tweede, maar het verschil tussen beide is toch bevreemdend.  

Scoort een spits het ene seizoen twintig goals en het volgende slechts vijf, dan is dat een kwestie van zelfvertrouwen en van gebrek eraan.  Denkt hij al vóór hij trapt of kopt: “ ’t Zal weer niet lukken,” dan is dat heel wat anders dan als hij de bal op dat moment al tegen het net ziet vliegen.  Natuurlijk komt er nog meer bij te kijken.  Speelt zijn ploeg defensief of aanvallend?  In hoever moet hij meeverdedigen?  Hoe dikwijls wordt hij aangespeeld?  Het aantal kansen dat hij krijgt in een match en hoe fris hij zich al dan niet vooraan kan uitleven, dat speelt vanzelfsprekend een grote rol.  Bij mijn vroege doelpunten waren er wel een paar penalty’s, maar vooral was het me toen toegelaten als verdediger mee naar voor te trekken op stilstaande fases, vooral op momenten dat we achterstonden.  Ik kon geregeld een balletje doorkoppen, en dus ook wel zelf eens raak treffen.

Je hebt jezelf altijd als een verdediger gezien?

Ja, zeker, en dat was ik ook.  Het best was ik als centrale verdediger.   Mijn capaciteiten lagen helemaal in die lijn. ‘k Was redelijk groot, vooral kopbalsterk, en stevig in het tackelen en bij duels.  ‘k Heb bij Cercle vier trainers gehad, maar het meest had Dennis van Wijk het voor het type speler dat ik was.  Ik was een karakterspeler, moest het van mijn gedrevenheid hebben, van mijn ‘over-mijn-lijk’-mentaliteit.  Daarnaast mag ik ook wel zeggen dat ik een teamspeler was, geen zoeker naar persoonlijk succes, en dat ik een goed aanvoelen had van mijn juiste positie tijdens het spelverloop.

Cerle Brugge KSV

Het was ook Dennis van Wijk die je als negentienjarige binnenloodste in Cercles Eerste Elftal?

Inderdaad, en dat was niet evident.  Ik had maar weinig bij de beloften gespeeld, en zozeer had Dennis het voor mijn manier van spelen dat ik halfweg december 2000 als invaller geselecteerd werd voor de thuismatch tegen Maasland.  Tijdens de opwarming kwetste Bapupa zich, en nadat ik mezelf nauwelijks opgewarmd had, stuurde Dennis me  meteen het veld op.  Dat was zo kwaad nog niet, ‘k had niet eens de tijd gehad om mezelf zenuwachtig te maken!  En ’t viel mee.  Voor mezelf althans, ik speelde een goeie match.  De uitslag werd echter 1-2.  Ja, alleen aan mijn kant deed er zich meeval voor.  Bapupa bleef tamelijk lang geblesseerd, en Cercle had geen vervanger achter de hand.  Dat een speler van de eigen jeugd Bapupa’s plaats blijkbaar kon innemen, was dan ook interessanter dan veel centen uit te geven voor een inkomende transfer.  Een win-win situatie: ik kreeg mijn kans én Cercle een goedkoper alternatief.

Ja, het was een nuttig proefstomen voor jou.  Je speelde zes matchen voor het seizoen ten einde was, maar je sloot het jaar erna af met, asjeblief, 40 eenheden op je teller!  Dat waren dan 38 competitiematchen en twee voor de beker.

Dat was het jaar voordat we promoveerden naar Eerste.  Ik kom aan 40 doordat we dan ook aan de eindronde deelnamen.  We namen een degelijke start maar eindigden als laatste …  Na dit seizoen kwam Jerko Tipuric Dennis van Wijk vervangen.

En het lukte!  Na zes jaar vagevuur werd Cercle kampioen, kon het de verloren positie in Eerste weer opnemen.  Hoe komt het dat het nu eindelijk wel ging?
 

Cerle Brugge KSV

Blijf nog even bij het seizoen vóór de promotie, je vergeet iets te vragen!   Kijk even rond, wat zie je daar op de schouw?  En of ik er fier op ben: Cercles ‘gouden schoen’!  Ja, de Groen-Zwarte supporters bekroonden mijn inzet op het groene veld met winst in de Pop-poll.  Maar kampioen, inderdaad, werden we pas het volgende jaar, onder Jerko.  Waaraan we dat te danken hadden?  Aan betere spelers, aan meer kwaliteit.  ‘Brommertje’ Borkelmans, de Deen Ole Budtz en de vaardige Tsjech Roman Vonasek waren kwaliteitsinjecties bij het begin van het seizoen. Het meest doorslaggevend van al was de late transfer van Deinzes topschutter Kristof Arys.  Arys kwam pas in februari, maar zonder een ‘doel-treffende’ spits, word je geen kampioen.  Jerko was een goeie trainer, zijn aanpak was heel anders dan die van Dennis, meer individueel. Hij was een people manager, maar zijn succes dankte hij eerst en vooral aan de kwaliteit van het team dat hij coachte en de kunst om de druk op de spelersgroep weg te houden.

Het jaar daarop deed hij het al even goed.  Hij wist Cercle in Eerste te houden.

Jerko was een vakman op zijn eigen, zeer menselijke, manier. Ook een nieuwe kwaliteitsinjectie met onder meer Harold Meyssen, Djordje Svetlicic met zijn ‘uitschuifbare lange benen’, en Nordin Jbari zorgden voor een enorme boost.  Als verdedigende middenvelder was ik waarschijnlijk een zegen voor Harold.  Ik zorgde voor de opkuis achter hem.  Ik gaf hem de bal, en zelfs tussen een kluwen van spelers wist hij die door te geven.  Zo heeft elke speler in een team zijn eigen taak en verdienste: Ik moest ‘lopen en doen’, en de finesse ging van Harold uit.  Een goeie voetballer, een goeie spelverdeler was hij, Harold!   Toch was niet hij, maar Nordin Jbari de belangrijkste pion in ons team.  We wonnen opvallend veel matchen met 1-0 of 0-1.  Nordin scoorde veel van die weinige goals tijdens de heenronde, en die waren bijzonder belangrijk.

Ja, als dat geen kunst is: veel goals op je actief krijgen als je ploeg weinig scoort!
Dat was prima voor Nordin, voor elke speler van het team, en ook een meevaller voor de stuurman.  Tot de verwondering van velen had Harm van Veldhoven het roer overgenomen van Jerko.  Na drie eerder rustige jaren kwam het vervolgens in handen van Glen De Boeck, en dat werd meteen een succes zonder weerga.

Ik heb bij Cercle in de loop van drie jaar in Tweede en zes in Eerste met heel wat superspelers het veld opgelopen, maar Glen kon dan ook over twee van de allerbeste van hen beschikken: Besnik Hasi, de onovertroffen heerser op het middenveld, en Oleg Iachtchouck, die maar naar de bal moest kijken en die zat er bijna in.  Toen ik als jonge supporter in de spionkop achter het doel stond, waren Weber, Karacic, Munteanu en Selymes mijn helden, maar ik heb met waardige opvolgers van hen mogen samenspelen.

Aangezien je jezelf vooral als een karakterspeler typeert, heb je daar wellicht veel moeten voor doen.  Een zekere soberheid buiten het veld is voor elke speler aangewezen, maar wellicht moet de een meer doen en laten om altijd weer fit voor de dag te komen?

Oh, neen, ik heb niets moeten opofferen.  Het voetbal heeft me veel meer gegeven dan  ik ervoor opzij zou gezet hebben.  Voetbal was, en is mij, een hobby.  En, bijvoorbeeld vijf keren gaan lopen tijdens de week kostte mij geen moeite, het was gewoon “part of the job”.  Even uitgaan met vrienden na een zaterdagavondmatch, dat kon wel af en toe, maar je kunt me geen plezier doen met me een biermand te geven.  

Van je hobby je beroep kunnen maken, is natuurlijk een droom.  Je voetbalt nog, maar niet meer als profvoetballer.  Hoe zit dat juist in elkaar?

Laat me beginnen bij het begin.  Halfweg 2003 was fantastisch voor mij.  Bij Cercle promoveerden we naar 1ste Klasse, en na vier jaar studie aan de Gentse Univ behaalde ik mijn diploma als licentiaat L.O.   Meteen aan de slag gaan als leraar L.O. viel niet te combineren met professioneel voetballen.  Na Cercle, in 2009 werd ik getransfereerd naar SV Roeselare, dat ook in Eerste uitkwam.  We degradeerden, maar ook de volgende  vier seizoenen bleef ik bij Essevee, de laatste jaren als kapitein.  Al die jaren als profvoetballer was ik ook actief als fitnessbegeleider, maar niet als gymleraar.  Vijf jaar geleden echter gaf ik het profvoetbal op, en ik werd als kapitein bij SVV Damme binnengeloodst waar ik ondertussen nog altijd speel. Waarom zou ik ermee ophouden, ik ben nog maar 38 jaar …  En bij Damme spelen kan best samengaan met wat ik na Roeselare kon beginnen en heel graag doe:  L.O-lesgeven in het hogere middelbaar van het Sint-Andreasinstituut in Oostende.  

Je bent dus pas 38…  

Ja, klopt, als ik al eens naar de namen en geboortedata op het scheidsrechtersblad kijk, dan tref ik er weinig aan van spelers die in hetzelfde jaar geboren zijn als ik. Zolang als ik de maandagmorgen na de match nog uit mijn bed kan zonder dat er een takelwagen bij te pas komt en zolang ik voel dat ik voor de ploeg een meerwaarde kan betekenen, zie ik niet in waarom ik al zou stoppen.

Daar heb je hem, lezer:  Bram Vandenbussche, 22 jaar aangesloten bij Cercle,  206 officiële wedstrijden gespeeld in het fanionelftal, drie jaar in Tweede, zes jaar in Eerste, door de supporters met recht en reden op handen gedragen.  Karakterspeler met het mes tussen de tanden,  mentaliteit van “over mijn lijk”.   En wat is voetbal nu voor hem: oorlog of feest?  

Voetbal is niet het ene of het andere.  Het ene hangt met het andere samen, het is er onverbrekelijk mee verbonden.  Komt niet elke speler van het team het veld op met de wil er alles aan te doen om te winnen, dan volgt er negen keren op de tien geen feest na het eindsignaal. Voetbal zonder oorlog op het veld, is zelden een feest!

Klinkt Brams terminologie al te oorlogzuchtig in de oren?  Och, hij wil alleen op een overtuigende wijze uitdrukken hoezeer zegedrift een noodzakelijke ingrediënt is van een speler die voor zichzelf en zijn team het best mogelijke viseert.  Ik heb hem niet gevraagd  hoeveel gele en rode kartonnetjes de scheidsrechter hem heeft laten zien.  Het zou me verwonderen mocht zijn gemiddelde per wedstrijd dat van om het even welke rasechte verdediger overschrijden… 
 

(Georges Volckaert)

Gerelateerde nieuwsberichten

Cerle Brugge KSV
RETRO - Liever 'techniek' dan 'fysiek': Philemon Desmaele



Liever 'techniek' dan 'fysiek'                      


Philemon Desmaele geïnterviewd


(redactionele nota: naar aanleiding van het overlijden van Philemon, publiceren we graag het interview dat in SHOT verscheen in mei 2008) 

1958.  Een halve eeuw geleden, op de kop.  Het  jaar dat voor elke lezer een zelfde herinnering oproept.  Zelfs wie nog lang niet kaalt of grijst, weet direct waarover het gaat.
Voor vele oma's en opa's staat dit jaartal in hun geheugen ingeprent als 'het jaar dat ik (tweemaal) (driemaal) (viermaal) ( ...) naar de Expo ben geweest'.  Dat dit laatste niet bij álle 'oude ratten' het geval is, wordt bevestigd door ex-Ratje Philemon Desmaele, een naam die klinkt als een klok voor wie Cercle al heel lang volgt in wel en wee.

 

Lees meer
Cerle Brugge KSV
Shot-online retro: Ghislain Somers geïnterviewd (herpublicatie)

RETRO                                                                                             

Een gelukkig toeval…  

Ghislain Somers geïnterviewd

(nvdr: dit is een herpublicatie van een interview dat in april 2011 verscheen in SHOT.  Dit artikel is in combinatie met het spelersinterview elders op “SHOT-online” (“Praatje met een speler”) met Thibo Somers, zijn neef die recent een semi-profcontract ondertekende.  Ghislain overleed op 4 juli 2015)

“Je hoort dat die mens dat graag vertelt.” Terloops vangt mijn vrouw enkele flitsen op van het bandje dat ik beluister na het interview met Ghislain Somers. Ghilains enthousiasme is zo aanstekelijk dat mijn echtgenote even blijft staan. Het treft haar dat Ghislain zo geniet van wat hij laat horen. De mond die overloopt van datgene waar het hart van vol is, is de spraakfontein van een groentje. Maar het betreft dan wel een groentje van 83 jaar! Zijn eerste van 80 matchen bij het Groen-Zwarte fanionelftal speelde hij in januari 1947, ruim 64 jaar geleden dus. En vanzelfsprekend dat Ghislain grasgroen was, was het geenszins. Vier broers van hem, wel degelijk elkeen van zijn vier broers, trokken een blauw-zwart shirt aan. Nu zou het mooi zijn als ik kon toevoegen dat Ghislain zo overtuigd groen was, dat het nooit bij hem had kunnen opkomen met hetzelfde voetbalplunje als dat van zijn broers voor de dag te komen. Doch, neen, zoals spoedig zal blijken, was het zomaar het toeval dat Ghislain de goede kant uitstuurde. Maar, zo zegt hij uitdrukkelijk, het was een gelúkkig toeval! 

Lees meer
Cerle Brugge KSV
Niet uit de lucht gegrepen - Hans Gerard

Het is geen toeval, lezer, dat de ex-Cerclespeler van wie u een interview voorgeschoteld krijgt, Hans Gerard is.  Hebt u de Shot-on-Linerubriek: “Cercle en Brugge door de jaren heen, deel 204 “ van 19 mei 2018 gelezen, dan begrijpt u meteen wat de aanleiding tot dit interview was.   Wellicht hoopte u zelfs dat er klaarheid zou volgen op wat u daar te lezen kreeg.  Is het u niet duidelijk waarover het hier gaat, dan raad ik u aan dat ‘deel 204’ door te nemen , bij voorkeur nog voordat u verder leest.  Vooraleer we over ‘dat hoofdstuk’ uitweiden, heeft Hans echter nog iets heel anders te vertellen…

Toen ik je telefonisch contacteerde, Hans, zei je me dat het een wonder is dat jij nog kunt geïnterviewd worden.  Blijkbaar had een recent ongeval fataal kunnen zijn voor jou?

Ja, en dat is pas drie maanden geleden.  In Sint-Pieters werd ik op het fietspad door een auto aangereden.  Die wagen zwierde mij in de lucht.  Ik kwam eerst op het dak ervan terecht en daarna op de grond.  Er was spoedig maar langdurig medische hulp, en ik kwam op de afdeling intensieve zorg van het AZ Sint-Jan terecht.  Om het uur kreeg ik er verzorging,  twaalf dagen lang.  Het zag er niet goed uit: ik lag daar met mijn nog recente ‘nieuwe heup’ verbrijzeld, schouderblad en vijf ribben gebroken, rechter schouder volledig uit de kom, een klaplong, genaaid zowel bovenaan als onderaan.  Eigenlijk heb ik geluk gehad in mijn ongeluk, maar dat mijn herstelproces nu bijzonder vlot verloopt is geen toeval.  Dat heb ik aan mijn positivisme te danken.  Mijn lichaam en mijn geest zijn al lang zo harmonisch op elkaar afgestemd dat ik fysiek en psychisch in een perfect fifty-fifty evenwicht leef.  Vóór mijn ongeval fietste ik dagelijks dertig tot veertig kilometer.  Kijk je hier even rond, dan vallen je ogen niet alleen op een hometrainer, maar je ziet overal  boeken en brieven liggen.  Dit Franstalige boek hier, “Energie Cosmique”, is toplectuur. Hadden alle mensen er maar een idee van wat uitgaat van een goede lichamelijke conditie en ontvankelijkheid voor de geesteskracht van een positieve levenshouding!

Niet alleen een wonder, ook een geluk voor jezelf en voor onze lezers is het,  Hans, dat ik je vandaag mag interviewen.  Je speelde drie jaar voor Groen-Zwart, van 1957 tot ’60.  Het is duidelijk dat het venijn in de staart zit, maar beginnen we toch maar bij jouw prilste begin.  Op 1 april 1936 werd er in Nieuwpoort een wel heel bijzondere aprilvis geboren.  Waren er onder de mensen die bewonderend in het wiegje keken ook broers of zussen van je, of kwam je ter wereld als de eerstgeborene van het gezin?    

Ik was de derde in de reeks van tien kinderen - eigenlijk de vierde, maar een zusje was gestorven.  Mijn vader was een hardwerkende landmeter, die duidelijk liet verstaan dat hij ons  liever over de studieboeken gebogen zag dan aan het sporten.  Mijn moeder werd door iedereen als een heel bijzondere persoonlijkheid erkend.  Voordat ze trouwde was ze hoofdverpleegster bij de bekende professor en chirurg Joseph Sebrechts in Brugge, en thuis was ze een fantastische moeder, die tegelijkertijd als een dokter was voor ons. 

Je voetbalde al in de wieg?

Al vroeg ‘sportte’ ik graag.  Fietsen, tennis, wat atletiek, lopen vooral.  Toch spande voetbal de kroon.  En het ging goed.  Wat schiet er zo meteen mijn geheugen te binnen?  Een matchke dat we met 9-4 wonnen toen ik nog kind was.  Ik scoorde er vijf van de negen.  En dat deed de ronde in Nieuwpoort!   Ook herinner ik me levendig een match op de Gistfabriek tegen ‘de Frères’: ‘k Zal dan twaalf geweest zijn, en ik mocht meespelen met de ploeg van het Brugse Sint-Lodewijkscollege.  Ik studeerde er Grieks-Latijn, en sommige spelers waren vijf jaar ouder dan ikzelf.

"Ik voetbalde dolgraag, beleefde plezier aan het spel, en dat was wat telde voor mij"

Toch was je al 21 toen je van Nieuwpoort in Provinciale naar Cercle trok in de op één na hoogste afdeling van het land.  Was Cercle een zeer bewuste keuze?

Eigenlijk niet.  Ik kende Cercle nauwelijks, had er nog geen enkele wedstrijd van gezien.  Het was Robert Braet die het klaar kreeg om me naar Cercle te loodsen.  Ook A.S. Oostende was een mogelijkheid geweest.  In de loop van mijn voetbalcarrière is een transfer naar een andere ploeg meer dan eens ter sprake gekomen.  Ik kon naar Anderlecht, maar mijn vader lag dwars wegens mijn studies architectuur aan Sint-Lucas in Gent - later heb ik  voor de bouw gewerkt, maar langer als verzekeraar.  Nadat ik goed presteerde als gelegenheidsspeler op Clubs Paastornooi, waar het heerlijk samenspelen was met technisch knappe spelers als Berre Deurwaerder en Fernand Goyvaerts, keek Club onder trainer Höffling begerig naar mij uit.  Ik ben zelfs bij Michel Van Maele thuis op bezoek geweest, maar Cercles bestuur, vooral Lucien Dhondt,  was niet te vermurwen.  Na de inhuldiging van Cercles lichtinstallatie  met een match van Groen-Zwart tegen Stade Reims in november 1957 had ik naar die Franse kampioeneploeg gekund.  En nadat ik al weg was bij Cercle had Beerschot een goed bod voor mij over.  Kijk, dat zijn dingen die ik me allemaal herinner, maar feitelijk  was het mij grotendeels gelijk voor welk team ik speelde.  Ik voetbalde dolgraag, beleefde plezier aan het spel, en dat was wat telde voor mij.  Ook nu nog volg ik graag matchen op tv, maar niet om het even welke.  Genieten kan ik alleen van creatief voetbal, individuele nummertjes, vlug doorspelen van de bal,  posities innemen, knappe combinaties, opentrekken van het spel.  Velen die naar het voetbal gaan, kijken haast uitsluitend naar de bal.  Ze zien die vliegen van achter naar voor, van rechts naar links,  heen en terug, maar ze hebben er geen oog voor hoe de spelers patronen vormen over het terrein.  Gisteren zag ik de Belgen in hun laatste oefenpot voor het WK 4-1 winnen tegen Costa Rica.  Wat een genot voor het oog Kevin De Bruyne en vooral Eden Hazard over het veld te zien draven met de bal aan de voet of positie kiezend om gaten te kunnen trekken.  Vraag me niet of voetbal oorlog is of  feest: het is alleen voetbal als het een spel is, een spel waarbij je kunt genieten van het oogstrelende, vooreerst als speler, maar evenzeer als toeschouwer.  Al speelde ik destijds natuurlijk om te winnen, het zal wel waar zijn dat ik soms eerder uit was op het speelse, het technisch vaardige, het creatieve, dan op het resultaat: Ik dribbelde zo graag…  

Bij Cercle maakte je vlug furore.  Maar heel lang duurde de pret niet.  Na drie jaar kwam er een bizar slot aan.  Op het einde van het seizoen 1959-’60 kreeg Cercle nog onverhoopt de kans om naar de hoogste afdeling te promoveren.  De beslissing viel bij een testwedstrijd tegen Patro Eisden op het veld van Club Mechelen (het huidige YR KV Mechelen).  Cercle verloor met 2-1.  Ik herinner me die match bijzonder goed en toen ik naar huis reed, was ik niet alleen over de uitslag ontgoocheld maar ook over het gebrek aan strijdlust bij Groen-Zwart. Toen, jaren later, het prachtige “Cercle Brugge KSV 1899-1989” van Roland Podevijn van de drukpersen kwam, las ik erin: “De wedstrijd mondde voor de talrijke Brugse supporters uit op een enorme ontgoocheling.  Na een effenaf teleurstellende Cercleprestatie werd er met 2-1 verloren.  Enkele spelers hadden tegen hun gewoonte in opvallend gelaten, inspiratieloos en ondermaats gevoetbald … Dat was niet ‘normaal’!”  Jij, Hans, kon het niet geweest zijn die ‘ondermaats’ presteerde, want  … nadat je 12 goals had gescoord in 24 matchen, was jij er niet bij – je mocht er niet bij zijn!  Maar wat las ik enkele dagen geleden op Shot-on-Line?  Weliswaar had ik al ‘geruchten’ die niet minder suggestief waren dan bovenstaand citaat voordien opgevangen, maar wat ik daar las, was niet om er stil bij te blijven zitten.  Vandaar het verzoek van onze hoofdredacteur om te luisteren naar jouw visie erop.

[Ter wille van de lezer die het vermelde ‘deel 204’ niet leest, citeer ik één zin uit die tekst, kort na de testmatch in het Brugsch Handelsblad verschenen:  “De trainer en zijn blinde volgelingen hebben waarlijk te veel ‘met zijn voeten gespeeld’ en anderen zouden het wellicht reeds lang stilgelegd hebben.”  Na lectuur van de volledige tekst, reageerde Hans als een gentleman: feiten ontkennen kon hij niet, schuldigen vrijpleiten kon hij evenmin, maar hij stond erop ook na zo lange tijd de sluier van de anonimiteit te behouden boven het hoofd van wie trainer Delfour zijn eigenzinnigheid liet doordrijven.]

Straks is het zestig jaar geleden, Hans, maar hoe kijkt u op de dag van vandaag daar tegenaan?

Al wat hier gezegd wordt, klopt.  En de testwedstrijd heb ik gezien … van op de tribune.  Hoe zat het allemaal juist in elkaar?  Heel het gebeuren, heel de achtergrond ervan, was mij duidelijk van naaldje tot draadje.  Het was trouwens niet de eerste keer dat het voor de spelers interessanter was niet te winnen, en dat niet alleen voor hen die vermoedelijk geen kans zouden krijgen in de hoogste afdeling.  Er komt nu nog een binnenpretje bij me op als ik denk aan een match op A.S. Oostende.  Wat panikeerden we toen Vic Derboven ons van ver van het doel af op voorsprong schoot!  We mochten niet winnen, en ja, hoor, het lukte ons om met 3-2 het onderspit te delven.  Dat was nog vóór het seizoen dat op die testmatch eindigde.  Ja, dat ik al een tijdje voor de testmatch aan de zijlijn gehouden werd, niet zelf het veld mocht opdraven, lag inderdaad zoals het artikel te verstaan geeft, niet alleen, zij het wel vooral, aan Edmond Delfour.  Ik weet heel goed hoe ik hem op de tenen had getrapt, maar wat zou eraan gewonnen zijn als ik dat uit de doeken deed?  Het komt er wel op neer dat ik mijn ogen niet sloot waar hij me dat liever had zien doen.  Wat kan ik hier verder nog over zeggen?  Dit alleszins, dat ik er geen trauma aan overgehouden heb, lang niet.  Ik had graag bij Cercle gespeeld, maar zo kon het niet verder.  Als het er zo aan toeging, kon ik er geen plezier meer aan beleven.  Ofwel voetbalde ik niet meer, ofwel werd ik getransfereerd.

Het werd een transfer naar Union Sint-Gillis, en kwalijk viel dat nu precies ook niet uit, want ‘den Union’ speelde in de Eerste Afdeling.  Cercle promoveerde dus niet, maar jij wél!

Bij Union kwam ik wel in onze hoofdstad terecht, maar niet in de hemel!  Ik was er semiprof, maar er was meer dat tegenviel dan dat er meeviel.  In een match tegen Beerschot werd ik brutaal gekwetst.  Er volgde een meniscusoperatie, en daarbij werd ik ‘mismeesterd’.  Onze trainer was niet vrij van vriendjespolitiek, en op het einde van mijn tweede jaar degradeerden we.  S.K. Roeselare lijfde me in, en ik trof er Robert Goethals aan, die een prima trainer was en mij weer intense vreugde in het spel bezorgde. Toen hij drie jaar later naar V.G. Oostende trok, vroeg hij me mee, en met de kustjongens speelden we kampioen.  Ten slotte heb ik nog even in Wevelgem gevoetbald.  Tijdens het weekend gaf ik daar tennisles, en dat ik een half jaartje trainer-speler werd bij S.V. was grotendeels een vriendendienst.

Na de desastreuse testmatch halfweg 1960 vreesden velen dat het met Cercle  bergaf zou gaan, te meer doordat jij er niet meer bij was, maar promotie was slechts uitgesteld.  Eén jaar later promoveerde Cercle als tweede, samen met kampioen Diest. Weet je nog hoe dat bij jou overkwam, hoe jij daar tegenaan keek?

Wel, al speelde mijn broer Jo nog bij Groen-Zwart, zelf had ik niet alleen niets meer met Cercle te maken, maar ook psychisch had ik afstand genomen van wat toch voorbij was.  Voetbal is in tegenstelling tot mijn druk zakenleven altijd een bijzaak geweest voor mij.  Ik draag Cercle geen rancune toe, en vanuit de loges samen met Fernand Van Damme, zoon van de gewezen burgemeester van Brugge en ex-voorzitter van Cercle, heb ik Groen-Zwart later nog een aantal matchen zien spelen in Jan Breydel.  

Hans woont in hartje Brugge, in het Prinsenhof, zijstraat van de Geldmuntstraat.  Hij is 82 jaar jong.  Dat ‘jong’ schrijf ik niet zomaar.  Erop wijzend dat voor nogal wat mensen op zijn leeftijd de dagen eentonig verlopen, dat elke volgende dag hun als een herhaling van de vorige overkomt, vroeg ik Hans of hij dat ook zo aanvoelde.  Het was eigenlijk een retorische vraag.  Hans’ vitaliteit was me al duidelijk vanaf het begin van het gesprek. Ik kon dan ook niet verwonderd zijn over het centrale woord van zijn antwoord: net zoals bij het voetbal is hij dag in dag uit op niets meer uit dan op ‘creativiteit’.  “Altijd ben ik creatief bezig,” beklemtoont hij, “ik denk, ik lees, ik schrijf, onophoudelijk gedreven door kosmische energie, de basis van het ontstaan en het bestaan van ALLES.”

(Georges Volckaert)

Lees meer
Cerle Brugge KSV
Kampioenen!

Na publicatie van dit stukje zijn er nog twintig dagen te gaan tot de viering van Cercle in Brugge.  Als opwarmertje even een terugblik op de vorige promotie.  

Vijftien jaar geleden promoveerde Cercle, na een verblijf van zes jaar in tweede, terug naar eerste afdeling.

Ook toen was het super spannend tot het eindsignaal in de laatste wedstrijd.  Geen dubbele finale zoals nu, maar de allerlaatste competitiewedstrijd.  Bij Groen-Zwart altijd suspense, nietwaar?

In mei 2003 kon Cercle kampioen spelen op één speeldag voor het einde.  Mits winst op het veld van Zulte-Waregem was het feesten geblazen.  Een indrukwekkend Groen-Zwart supporterslegioen trok naar de Gaverbeek.  Lang zag het er naar uit dat de buit binnen was.  De scheidsrechter besloot er anders over en gaf de Gaverbeekjongens een strafschop cadeau en Denis Viane rood.  Een duidelijke strafschopfout er na op Arys leverde … een gele kaart  op voor onze aanvaller.  Je zou hier een “Brys’ke” kunnen over opzetten.

Het moest dan maar thuis gebeuren op de laatste speeldag (11 mei) tegen het bescheiden Dessel Sport.  De schrik sloeg iedereen om het hart toen de bezoekers zowaar op een 0-1 voorsprong kwamen.  Twee kopbaldoelpunten van Sebastien Stassin zorgden echter voor de langverwachte (en broodnodige) promotie.

De toen ongeveer 6000 toeschouwers gingen uit de bol.  

Op zaterdag 24 mei werd Cercle gehuldigd door zowel de stad Brugge (Burgemeester Moenaert) publiekelijk op de Markt, als door de Provincie West-Vlaanderen (Gouverneur Breyne) in het Provinciaal Hof.  

Tot 21 april 2018.

Georges Debacker
Hoofdredacteur SHOT-online

Lees meer
Cerle Brugge KSV
Laatste koploper van heerlijke reeks? Frederik Boi

Frederik Boi weet wat waardering verdient, en wat niet.  Van statistieken houdt hij niet.  Zozeer is hij ervan doordrongen dat voetbal een teamgebeuren is dat hij lijsten van top-schutters en meeste assists eerder als een bekoring tot individualisme beschouwt dan als een uitdrukking van verdienste.  Al staat hijzelf er niet bij stil, zijn naam prijkt bovenaan een heerlijke, statistische weergave. Vragen we ons af welke Cerclespeler voorlopig de laatste is die meer dan driehonderd keren in een officiële match de Groen-Zwarte kleuren verdedigde, dan is ‘Fré’ het antwoord. Met 325 wedstrijden nam hij die koppositie in na zijn laatste Cerclematch in april 2014.  Daarmee verdrong hij na bijna drie jaar Denis Viane van die plaats, die op niet minder dan 383 beurten kan bogen.  En wie zal Fré opvolgen?  Bij het zo veranderde voetballandschap, is de kans op een opvolger wel flinterdun.

Fré, het vorige retro-interview vond plaats in Stekene ten huize van Anthony Portier, nu zitten we hier in jouw huis in Sint-Andries, rechtover de Olympiaterreinen.  Jij en Anthony komen om dezelfde reden aan de beurt: je beëindigt een lange, in hoge mate Zwart-Groen gekleurde, voetbalcarrière.   Anthony houdt ermee op wegens knieletsels, tijdwinst voor zijn gezin en omdat het plezier aan het spel er niet meer is.  En jij, waarom?

Aan meer tijd voor mijn gezin en familiale aangelegenheden hecht ook ik veel belang,  maar bovendien is  de combinatie van mijn werk en competitief voetballen niet meer mogelijk.  Ik droomde er al van voetballer te worden toen ik nog niet eens op de lagere school zat, maar nog voor ik naar het middelbaar ging intrigeerde mij ook alles wat met informatica te maken had.  Sinds een half jaar werk ik nu bij Epson, een Japans bedrijf met wereldwijd 70.000 werknemers, dat printers, scanners en projectoren produceert.  Zozeer een droomjob is dat voor mij, dat ik er de tijdrovende verplaatsing graag bijneem.  Elke werkdag trotseer ik met mijn auto de afstand tussen thuis en Diegem, in de buurt van de Nationale Luchthaven.  Dat komt gemiddeld neer op tweemaal honderd minuten. Per trein zou het even lang duren, en geregeld neem ik zware pakken materiaal mee.

Je hebt ettelijke paren voetbalschoenen bij de Cerclejeugd versleten.  Wat is je uit je prilste Cerclejaren vooral bijgebleven?

Ik kwam als vanzelf als vijf- of zesjarige in het spoor van mijn neef en broers in Cercles Voetbalschool terecht.  De Groen-Zwarte jeugdopleiding stond hoog aangeschreven, het niveau moest zeker niet onderdoen voor dat van ‘de buren’.  Ik was tenger en klein zodat ik  fysisch iets achter was op mijn leeftijdgenoten, maar mijn trainers zagen wel kwaliteiten in mij.  Cercle had toen niet alleen nationale maar ook provinciale jeugdploegen, en meer dan mijn medespelertjes ging ik over van het ene naar het andere niveau.  Ik kon hemelhoog juichen als ik naar ‘nationale’ overgeheveld werd, maar ook bij ‘provinciale’ was het heerlijk voetballen en met veel inzet.  Onder meer met Jan Masureel, Stijn Willems, Bram Vandenbussche en Pieter Doom heb ik goeie vrienden uit ‘provinciale’ overgehouden.  

Je startte als negentienjarige bij de Eerste Ploeg in december 2000.  Herinner je nog die eerste match?  Misschien weet je nog wat jij bij je selectie het meest was: verwonderd, blij, zenuwachtig of zelfzeker? 

Blij was ik alleszins, maar niet verwonderd.  Het moest ervan komen.  In tegenstelling tot de overgrote meerderheid van de trainers, keek Dennis van Wijk niet alleen naar ‘namen’, maar wie goed presteerde op training, kreeg vroeg of laat de kans om zich tijdens het weekend te bewijzen.  Zenuwachtig was ik toen niet, dat was ik pas later bij mijn eerste derby in het fanionelftal.  En zelfzeker?  Aan zelfvertrouwen ontbrak het me niet.  En, ja, het verloop van die eerste match zie ik nog voor ogen.  We verloren thuis met 1-2 tegen Maasmechelen, dat nochtans niet hoog gequoteerd stond.  Na de match was van Wijk in alle staten…  Hoe ik het er zelf van afgebracht had?  Bij mijn eerste duel kreeg ik een klop op mijn hoofd, en kinesist Geert Leys mocht het veld op om mij te verzorgen.  “Zo gaat dat bij de grote jongens,” zei hij.   En ik moest niet lang wachten op bevestiging daarvan, slechts tot mijn tweede match… 

In het ‘Cerclemuseum’ tref ik iets aan dat me bijzonder merkwaardig lijkt.   In je debuutjaar speelde je 6 competitiewedstrijden, het jaar erop 3, en 7 tijdens het daarop volgende seizoen, Cercles kampioenenjaar 2002-‘3.  Met Cercle in Eerste was je er meteen 28 keren bij en vervolgens was je nog zeven seizoenen na elkaar een vaste waarde met minstens 25 beurten.  Een trainer is een machtig man, maar aan zijn voorkeur kon het niet gelegen zijn want zowel juist na als juist voor de promotie had Jerko Tipuric het roer in handen. Blijkbaar was jij niet goed genoeg voor Tweede, maar onmisbaar in Eerste?

In het kampioenenjaar begon ik heel goed, werd zelfs in een krantenartikel als de revelatie van het seizoenbegin bestempeld.  Tegen Geel speelde ik voor de eerste keer in het midden, voordien rechtsbuiten, en na de match zei Jerko mij: “Jij gaat nooit meer weg uit het midden.”  Nog voor die term bestond, draafde ik toen het veld af als ‘box-to-box speler’, en  dankzij mijn goeie conditie had ik daar geen moeite mee.  Na enkele matchen, helaas, werd ik in Heusden-Zolder zwaar getackeld, recht op mijn knieën.  Mijn mediale band was zo goed als door, en de revalidatie duurde verschrikkelijk lang, voor een stuk doordat ik te vroeg weer op het veld wilde staan.  ‘k Heb alleen nog één match gespeeld op het einde van het seizoen, op Maasmechelen.  

"Jerko is een prima trainer.  Zijn enige gebrek is ‘dat hij zich niet weet te verkopen".

Och, blessure, aan die meest voor de hand liggende verklaring had ik niet eens gedacht!  Na één jaar Eerste deed zich een grote verrassing voor: Tipuric was erin geslaagd Cercle in de topklasse te behouden, maar Harm van Veldhoven nam zijn plaats in.

Die trainerswissel vernamen wij al in Westerlo, juist voor de laatste wedstrijd van het seizoen.  Het zat verschillende spelers zo hoog dat ze, vooral onder impuls van Vital Borkelmans, dreigden de match niet te spelen.  “Wij spelen niet,” zei Vital.  “Je speelt wel,” zei Jerko.  En … we keerden naar Brugge terug met een 1-1 gelijkspel. Ja, dat we  in Eerste bleven met de kern die we toen hadden, was een half mirakel.  Jerko door Harm vervangen konden we nauwelijks begrijpen, ook omdat Cercle toen het kleinste budget van heel de reeks had.  En, terloops, ik beëindig straks mijn voetbalcarrière bij het pas naar Eerste Provinciale gepromoveerde Sporting Blankenberge.  Wie is er de trainer?  Jerko.  Staan we op een degradatieplaats?  Neen, je vindt ons zelfs in de eerste helft van de rangschikking.

Jerko blijft?  Neen.  Maar toch is het niet helemaal hetzelfde als bij Cercle halfweg 2004.  Dat men bij een degelijk spelend voetbalteam na zes jaar hoe dan ook graag eens nieuwe wind laat waaien is minder verwonderlijk dan na twee jaar, zoals toen.   Jerko is een prima trainer.  Zijn enige gebrek is ‘dat hij zich niet weet te verkopen’.

Tijdens Cercles gloriejaar, het eerste onder Glen De Boeck, trok jij voor niet minder dan 33 competitiematchen het Groen-Zwarte shirt aan.  Volgens Anthony Portier waren Cercles knalprestaties wel degelijk eerst en vooral aan Glen te danken.  Deel je zijn mening?

Heel zeker.  Vooreerst beschikte Glen over een stel fantastische spelers, maar daarnaast was zijn aanpak  zoals voetbal hoort te zijn: zo eenvoudig, zo simpel als het maar kan.  Dat komt erop neer dat iedere speler heel duidelijk moet weten wat hem als pion van een team op het voetbalschaakbord te doen staat.  En we wisten het! “Jij dit, jij dat, jij dit, jij dat …”  Voetbal is een loopsport, je moet voortdurend bewegen en je moet erop kunnen betrouwen: “Recupereer ik de bal, dan staat daar een medespeler die ik kan aanspelen.” Elke week opnieuw prentte Glen het ons in, steeds weer hetzelfde, zo ongecompliceerd mogelijk moest het zijn.  We hadden alleen maar verstandige spelers, maar waren er een paar blinden bij geweest, dan nog hadden die geweten wat hen te doen stond.  Wat ons tijdens Glens eerste jaar genekt heeft, dat is de gescheurde kruisband van Tom De Sutter in februari.

Maar dat Glen de glansprestatie van zijn eerste jaar erna niet heeft kunnen overdoen, heeft hij toch wel aan zichzelf te wijten.  “Wij zijn te voorspelbaar,” vreesde hij, en hij stapte af van zijn voor ons zo hanteerbaar systeem.  Ik kan het niet genoeg beklemtonen: “In voetbal is simpel spelen het beste, maar het moeilijkste dat er is.”  Weet je welke speler ik het meest bewonderde omdat hij alles zo eenvoudig mogelijk aanpakte? Dat was Oleg Iachtchouk.  Zijn balcontrole was altijd goed.  Zoals alles bij hem, leek zijn meesterschap over de bal en zijn voortgang in het spel vanzelfsprekend. Kreeg jij echter zo’n bal toegespeeld, dan lag die plots een halve meter weg van je voet.  Een eenvoudige, een intelligente, ook een leuke voetballer was Oleg. 

Dankten jullie je sterkte ook niet aan het feit dat Glen tot het uiterste ging  om de fysische conditie op te drijven? 

Ja, Glen was veeleisend, zeker ook qua fysische paraatheid.  ‘k Zie ons nog een uur aan een stuk ‘volle bak’ lopen in Tillegem.  En ook vele baloefeningen bleven duren tot onze tong op het gras lag…  Ik mag echter gerust beweren dat ik een van de spelers was die daar het minst last van had.  Ik heb het perfecte voetballichaam niet, maar wel een fysisch gestel dat geschikt is voor duursporten.  Wat ik als voetballer het meest mis, dat is kracht, en dat heb ik altijd weten te compenseren door ‘adem’ en snelheid.   ‘k Bezit beelden waarop ik tachtig meter loop langs de zijkant van het veld, de bal rond het penaltypunt van de tegenstander stil leg, binnenschiet, en rustig dooradem alsof ik twee stappen had gezet.

"Echte supporters vereenzelvigen zich ook met hun team als het maar niet wil lukken". 

Niet alleen over Glen De Boeck als trainer kun je meespreken, je hebt er in Cercles fanionelftal, asjeblief,  zeven meegemaakt: Dennis van Wijk, Jerko Tipuric, Harm van Veldhoven, Glen, Bob Peeters, Foeke Booy en Lorenzo Staelens.  Twee vragen liggen voor de hand: wie vond jij de beste, en zou je nu met elk van hen even graag aan tafel gaan zitten?

De meeste trainers die ik heb gehad, waren zeer degelijk, en twee van hen waren zelfs zo goed dat ze nog een paar centimeters boven Jerko uitstaken.  Dat waren Glen en, op gelijke hoogte, Yves Van Borm toen ik bij Knokke speelde. Dat ze ‘de beste’ waren, betekent lang niet dat ik met hen het minst in botsing ben gekomen, zelfs niet dat ik nu met hen het liefst zou tafelen. Een en ander kan complex zijn, hoor.  Dennis van Wijk, bijvoorbeeld, kent geen greintje medelijden op het voetbalveld, maar hij is een crème van een mens erbuiten.

We gaan even weg van Cercle.  Nog voor Van Borm heb jij dat trouwens al gedaan.  Je trok halfweg 2011 naar Oud-Heverlee Leuven, kwam na anderhalf jaar terug naar het Groen-Zwarte Olympia, je werd begin 2015 door Cercle eventjes uitgeleend aan Izegem, knokte twee jaar bij F.C. Knokke en nu ben je aan je laatste matchen bij Sporting Blankenberge toe.  

Bij OHL voelde ik me goed thuis, maar toch was ik blij dat Cercle me weer met open armen ontving.  Ook van de supporters voelde ik hun ‘welkom’ aan - en supporters zijn écht ‘de twaalfde man’: niet elke speler voelt het even intens aan, maar de meesten geeft het een kick van vertrouwen als de supporters positief op hun spel reageren. Al te veel supporters denken dat ze betalen om je te zien winnen, maar, neen, ze staan van hun centen af om je zo goed te zien spelen als het je mogelijk is!  Echte supporters vereenzelvigen zich ook met hun team als het maar niet wil lukken. 

U denkt, lezer, ik kom aan de slotbeschouwing van het interview, en dàt waarmee iedere Cerclesupporter Fré omkranst, is niet eens ter sprake gekomen.  17 december 2006, juist voor de winterstop, Cercle-Club, 63ste minuut: Fré keilt de bal tussen de blauw-zwarte doelpalen.  Het blijft 1-0 tot de scheidsrechter affluit.  Wat een vreugde, wat een euforie!  Eén seconde van uniek succes, en Fré is en blijft levenslang wereldberoemd in heel Brugge!  “Ja, zeker, daarover spreken velen me nog dikwijls aan.”  Op mijn slotvraag of het blijde nieuws dat ik vanmorgen in het Nieuwsblad gelezen heb, klopt, bevestigt Fré dat het, alles in acht genomen, onwaarschijnlijk goed evolueert met Alexander, zijn broer die nog geen maand geleden het slachtoffer werd van een zwaar verkeersongeval.  Een flits, ook hier, maar een gevolg dat écht ingrijpt in het leven.  Voor Alexander, vanzelfsprekend.  Voor Fré ook?  “Ik had voordien al besloten te stoppen met voetballen.  Zoveel tijd eist mijn werk van mij op, dat ik er te allen koste genoeg moet vrij maken voor mijn vrouw, mijn twee dochtertjes en heel mijn familie.  Alexanders accident bevestigt wat ik me al goed bewust was: tijd dient ertoe om die zo interessant mogelijk door te brengen.”

(Georges Volckaert)

Lees meer