koop tickets online

Shot-online retro: Ghislain Somers geïnterviewd (herpublicatie)

RETRO                                                                                             

Een gelukkig toeval…  

Ghislain Somers geïnterviewd

(nvdr: dit is een herpublicatie van een interview dat in april 2011 verscheen in SHOT.  Dit artikel is in combinatie met het spelersinterview elders op “SHOT-online” (“Praatje met een speler”) met Thibo Somers, zijn neef die recent een semi-profcontract ondertekende.  Ghislain overleed op 4 juli 2015)

“Je hoort dat die mens dat graag vertelt.” Terloops vangt mijn vrouw enkele flitsen op van het bandje dat ik beluister na het interview met Ghislain Somers. Ghilains enthousiasme is zo aanstekelijk dat mijn echtgenote even blijft staan. Het treft haar dat Ghislain zo geniet van wat hij laat horen. De mond die overloopt van datgene waar het hart van vol is, is de spraakfontein van een groentje. Maar het betreft dan wel een groentje van 83 jaar! Zijn eerste van 80 matchen bij het Groen-Zwarte fanionelftal speelde hij in januari 1947, ruim 64 jaar geleden dus. En vanzelfsprekend dat Ghislain grasgroen was, was het geenszins. Vier broers van hem, wel degelijk elkeen van zijn vier broers, trokken een blauw-zwart shirt aan. Nu zou het mooi zijn als ik kon toevoegen dat Ghislain zo overtuigd groen was, dat het nooit bij hem had kunnen opkomen met hetzelfde voetbalplunje als dat van zijn broers voor de dag te komen. Doch, neen, zoals spoedig zal blijken, was het zomaar het toeval dat Ghislain de goede kant uitstuurde. Maar, zo zegt hij uitdrukkelijk, het was een gelúkkig toeval! 

Wellicht heb je alle rangen van de Cerclejeugd doorlopen, Ghislain?

Neen, dat deed ik niet. Maar het is een vreemd verhaal, hoor. Wat nu niet meer denkbaar is, kon vroeger wel. Als kind al deed ik niets liever dan voetballen. Ik woonde in Brugge, in de Sint-Gillisparochie. Met onze school speelden we af en toe tegen andere scholen. Toen ik wou meespelen, mocht ik niet, tenzij ik een kaart ondertekende. Dat deed ik dan ook. Het bleek dat ik me zo bij Cercle aangesloten had. Misschien een maand later moest ik weer een kaart ondertekenen om opnieuw mee te mogen spelen. En dat was een aansluitingskaart bij Club. Natuurlijk deed ik dat. Voor mij leek dat allemaal zonder enig belang. ‘k Ging weg van school toen ik 14 was, en na enkele jaren voetbalde ik – als goalkeeper! – bij … Ruddervoorde! Toen kwam er een man voor de dag die doorhad dat ik eigenlijk enkel en alleen bij Cercle aangesloten was, en hij hevelde mij over naar de Cerclejuniors. Aan die man zou ik verder nog veel te danken hebben, hij steunde mij in alles. En die man, dat was … Edmond Van Iseghem. Hoewel heel Sint-Gillis blauw in- en uitademde, hoewel mijn vader en mijn broers blauw waren tot achter hun oren, speelde ik bij Cercle – eerst bij de juniors, een paar matchen slechts als keeper, en daarna bij de reserves en de eerste ploeg, als middenvelder, soms aanvallend maar liever verdedigend. En ‘k heb het mij nooit beklaagd, ik was graag bij Cercle.
 

Cerle Brugge KSV

Je kwam een eerste keer in Cercles eerste elftal in januari 1947, halfweg het seizoen. Dat was zowat de tijd dat Robert Braet zijn keeperstrui definitief opborg. Wat herinner jij je nog uit die begintijd van je Cerclecarrière?

In 1946-’47 speelde ik maar twee matchen bij ‘de groten’. In mijn eerste match, op Stade Leuven, verloren we met 2-1, en al scoorde ik in mijn maidenmatch, toch werd ik het zwarte schaap nadat we de volgende week thuis tegen Racing Doornik opnieuw verloren. 0-1 werd het toen. Maar ik speelde ook wel graag bij de reserves, want dan mocht ik ook corporatief spelen, bij ‘de Brugeoise’, en daar werkten we fantastische competities af, met ploegen uit heel het land en waarin veel goede spelers uitkwamen, zelfs uit de Ere-afdeling, uit de hoogste klasse dus van ons nationaal voetbal. Met Robert Braet heb ik niet samen in competitie gespeeld, alleen maar één vriendenmatch. Als Braet mij voor ogen komt, zie ik hem altijd iets doen wat vroeger toegelaten werd: je mocht met de borst een tegenstrever afweren. Robert heeft er zo veel van zich weggeduwd. ’t Was soms komisch, zeker als Braet bijna dubbel zo groot was als het mannetje dat op hem afkwam. Maar voor mij was het mooiste dat ik als ‘jong gastje’ in een prachtige groep kameraden terechtkwam. Misschien kan ik ze nog wel allemaal zomaar voor mijn ogen zien paraderen: Fernand De Corte, Etienne De Grande, Roger Claeys, Sylvère Vanden Berghe, Maurice Crépain, Fernand Van Middel, Gaston Maes, Etienne Wybaillie, Adhemar Slabbinck, Mon Verté, Pietje Roggeman, Marcel Pertry, Joël Hoste, André Heyns, Pierre Schotte, André Cherlet…

En spélen, dat was het eerste waar het op aankwam.

Het jaar daarop was je beste Cerclejaar. Cercle eindigde als vijfde, daarna driemaal als elfde en tijdens je laatste seizoen kwam Groen-Zwart als vijftiende veel te kort om in het nieuwe Excellentie te belanden en moest het op betere tijden hopen in de derde afdeling.

1947-’48 was míjn beste jaar niet, want ik speelde maar tien matchen. In mijn voorlaatste jaar, ’50-51, mocht ik 26 keren de groene mat op. Ik brak pas echt door toen ‘oude rat’ Gaston Maes het voor bekeken hield. Ja, al die jaren braken we geen potten, maar toch speelden wij vol inzet en overgave. En spélen, dat was het eerste waar het op aankwam. Niet dat we ons ooit vooraf verloren gaven – elke match wilden we winnen! – maar voor wie circuleerde tussen de reserves en de eerste ploeg was meespelen prioritair. Zo was ik er in 47-48 jammer genoeg niet bij toen de eerste naoorlogse Brugse derby’s gespeeld werden tegen het gedegradeerde Club: 1-1 thuis en 2-1 verlies op de Klokke. ’t Jaar daarna speelde Cercle op eigen veld weer gelijk, maar op Club werd het een 6-0 pandoering. ‘k Herinner me, helaas, meer zware nederlagen voor Groen-Zwart dan het tegenovergestelde. In dat beste, voorlaatste seizoen van mij was ik er tweemaal bij toen we niet te verteren afstraffingen kregen van White Star: 1-7 en 6-1. In de ene match moest ik Straetmans proberen in toom te houden, in de andere Hippolyte Van den Bosch, die later voor Anderlecht uitkwam. Dat waren zeker van de sterkste tegenspelers tegen wie ik ooit uitkwam. En voorin liep daar bij White Star ook nog een goalgetter als Leonce Dimanche. 

Zelf heb ik jouw Cerclejaren als knaap meebeleefd. In mijn kinderogen waren spelers als bijvoorbeeld Adi Slabbinck, Marin Roje of Marcel Pertry zulke supersterren dat ik me nauwelijks kon indenken dat er nog betere voetballers bestonden, op de internationalen na die voor mij buiten elke categorie vielen. Hadden die Cerclemonumenten meegekund in eerste klasse?

Ik heb altijd gespeeld in wat nu de tweede klasse genoemd wordt, en als je naar de toen behaalde resultaten kijkt, kan het toch niet dat Cercle uit supervedetten zou bestaan hebben. Maar je noemt daar toch wel drie bijzonder goede spelers. Roje was een heel sterke back, wat hij als ‘de held van Ankara’ ook bij de nationale militaire ploeg heeft bewezen. Pertry was een schitterende ‘centrefor’, heel snel, met een hard shot, zowel links als rechts. En Slabbinck, die was een krak van een stopper, maar ‘k weet niet of hij in eerste klasse had meegekund. Hij was toch eerder een speler van ‘mij niet voorbij’ en ‘hard en verre’. Voor ons was Adi een rots, maar in het voetbal van vandaag met al die korte pasjes zouden weinig trainers het voor hem gehad hebben.

En zelf? Wat voor een speler was jijzelf?

‘k Denk dat ik twee sterke punten had. Vooreerst had ik een goed speloverzicht. Als ik een bal in de voeten kreeg, had ik meestal vooraf al gezien naar wie ik die het best kon doorspelen. En desnoods mocht ik het leer gerust blindelings een lel geven ver naar de hoek toe. Ik trainde daar speciaal op. De trainer – ‘k geloof dat het Vanden Bempt was – zei: “Als je naar de cornervlag shot, moet er daar altijd één in de buurt zijn om de bal op te vangen,” en zo moest ik op training voortdurend van een heel eind ver de cornervlag viseren. Naast een klare kijk op het spel, waardeerden mijn medespelers vooral mijn kopspel. Dat ik goed kon koppen, was geen toeval, maar ook voor een stuk aan een trainer te danken. Waar later de chalet kwam te staan, was er toen nog een open plek, en Louis Baes liet daar een galg plaatsen. Jawel, een galg! Niet om ons af te schrikken, maar om al koppend de bal door de lus te krijgen. Durfde ik wat vroeg naar de training te komen, dan riep Louis: “Ghislain, koppen, hé!”. ‘k Zie me nog bezig, soms twintig minuten aan een stuk, springen en koppen, springen en koppen, … In diezelfde ruimte was er ook een muurtje waartegen we onze mindere voet moesten oefenen, en ‘k heb er véél ballen tegen mogen trappen want ‘k had maar één voet, mijn rechtse.

Je was pas 25 toen jij je laatste Cerclematch speelde. Net zoals bij je debuut was het seizoen pas halfweg, weer was het in januari. Dat is eigenaardig…

13 januari 1952. Cercle ontvangt het niet zo sterke Vigor Hamme, en toch wordt het 0-5. Het giet water. Het speelt zich vlak voor de grote tribune af. Pieters, een vent lijk een boom, staat voor me, de bal in zijn voeten. Ik denk dat hij me zal proberen te passeren maar, neen, patat, keihard schiet hij de loodzware bal in mijn gezicht, onderaan mijn voorhoofd. Ik val in ’t gras, “van mezelven”. Ze gieten een halve emmer ijskoud water over mijn gezicht, en ik strompel weer het veld op. ‘k Kom nauwelijks aan de bal, altijd een stap te kort, en krijg ik die toch eens aan mijn voeten, dan zwijmel ik evenzeer naar mijn eigen keeper toe als naar het doel van Hamme. Tot ik van het veld genomen word. ’s Anderendaags heb ik koppijn, ga niet werken, speel ’s avonds een partijtje lotto en val plots pardoes op de grond. Ik was volledig lam. Zes weken lang, en daarna nog een hele tijd gedeeltelijk. Cercle laat me naar de dokter gaan die aangesteld is door de ‘Assurance’. Voordat ik wegga, zegt die man: ‘Als ze komen van de Assurance moet je zeggen dat ik je een ‘pikeure’ in je ruggengraat gegeven heb.’ Ze komen, en al is het niet waar, ik zeg wat me opgelegd is. Daarna ga ik naar mijn huisdokter. Die onderzoekt me grondig en hij zegt tegen mijn vrouw, in alle ernst: “Madame, je bent te beklagen, Ghislain zal lam blijven of hij zal zot worden.” Ik kom terecht bij dokter Dehaene, neuroloog, Jean-Lucs vader. Minstens drie keren moet ik hem nauwkeurig vertellen wat er allemaal gebeurd is. Hij zorgt ervoor dat ik nog minstens een maand moet thuisblijven van mijn werk.

één keer stonden er vier Somersen tegelijk op het veld

Cerle Brugge KSV

Maar je hebt nog gevoetbald nadien, lang zelfs, zij het niet meer bij Cercle?...

Al kan ik niet beschrijven wat wij allemaal hebben meegemaakt, toch was ik er het volgende seizoen weer bij als de trainingen op Cercle begonnen. Ik kreeg echter een papiertje voor mijn neus geschoteld dat ik moest ondertekenen en dat kwam erop neer dat de Assurantie me niet meer aanvaardde. Heeft dat nu met die gefantaseerde ‘pikeure’ te maken? Ik weet het niet. Hoe dan ook, ’t kwam erop neer dat ik alleen nog op  eigen risico kon verder spelen. Natuurlijk heb ik dat geweigerd – ‘k was niet alleen niet lam meer, maar ‘k was ook niet zot! ‘k Heb dan een seizoen stilgelegen, en daarna nog wel een jaar of tien bij Ruddervoorde gespeeld, gedekt door… dezelfde Assurantie! Ook corporatief heb ik nog heel veel voetbalvreugde en -succes gekend, eerst bij de Brugeoise, dan bij Glaverbel en dan weer bij de Brugeoise. Bij Ruddervoorde begon ik als speler, werd dan speler-trainer en eindigde als trainer. Bij Cercle wisten ze heel goed dat ik weer goed op dreef was, maar ze gooiden geen visje uit…

Je hebt het een gelukkig toeval genoemd dat je bij Cercle terechtkwam. Je bent toch niet in onvrede weggegaan? 

‘k Was kwaad op Cercle. ‘k Wilde niet meer naar Cercle gaan kijken. Maar men zegt dat de tijd alle wonden geneest. En ja, heel lang al klopt er hier binnenin weer iets waardoor ik intens meeleef met al wat Groen-Zwart is. En dat is nog sterk toegenomen sinds Thibo bij Cercle speelt. Thibo is Lucs zoon, en Luc is de zoon van Gilbert, mijn broer die in leeftijd direct na mij komt en die ook bij Club gespeeld heeft, maar niet zoveel als mijn andere drie broers. Men zegt me dat Thibo echt goed is, en alleszins zijn z’n vader en hijzelf heel content bij Cercle.  

Over de vijf voetballende broers Somers moeten we alleszins ook nog een en ander zeggen. Was het oorlog bij jullie thuis destijds tussen jou en die vier blauwe?

We hebben nooit alle vijf in een zelfde match gespeeld, en maar één keer stonden er vier Somersen tegelijk op het veld, en ’t ging dan nog om een vriendenmatch. Onze ouders hadden vijf zonen in negen jaar. Adrien was de oudste, van 1925. Hij speelde 321 matchen bij Club. Hij was in alles streng voor zichzelf, was zo een beetje een filosoof, hij wist van alles en wij luisterden en keken op naar hem. Er was veel Clubvolk en ook nogal wat Cerclevolk op zijn begrafenis, in augustus 2008. Ik ben van 1927, Gilbert van ’29, René van ’30 en Robert van ‘34. Je vroeg hoe het er thuis aan toeging. Wel, veel supporters van Club en Cercle konden elkaar niet verdragen maar de spelers zelf kenden elkaar heel goed en bijvoorbeeld in de dug-out voor een match maakten we meer plezier dan dat we mekaar in het haar zaten. Zo verliep het thuis ook. In het slechtste geval viel er wel eens een niet zo zacht woordje, maar daar bleef het bij. Vader ging meestal naar Club maar soms ook naar Cercle, moeder trok zich van geen voetbal aan, en wij, wij waren meer broers van elkaar dan dat we groen of dat wij blauw waren. 

Voetbalminnend Brugge daverde op zijn grondvesten toen Robert in 1962 naar Cercle trok. Geen ‘blauwen’ en geen ‘groenen’ die dat mogelijk had geacht…

Met als clou dat Robert scoorde in de eerste derby die Cercle na meer dan 30 jaar op de Klokke won. Het werd 1-3. Jarenlang hadden de Clubsupporters er zich aan geërgerd dat Robert zo moeilijk de weg naar de goal vond, jarenlang hadden Cerclesupporters daar plezier aan beleefd, en nu scoorde Robert voor Groen-Zwart en dan nog wel tegen Club. Bij een magistraal schot van bijna aan de middenlijn zoefde de bal warempel tegen het net van kameraad Fernand Boone! Robert speelde drie jaar bij Cercle, 57 competitiematchen, 5 bekermatchen en hij scoorde driemaal. Dat Robert naar Cercle kon overgaan, laat nog eens zien dat de kloof tussen blauw en groen bij ons niet zo onoverkomelijk was. Adrien was misschien nog de hardste Clubman, maar dat neemt niet weg dat hij trouwde met de zus van Pietje Roggeman.

Ik mag dit interview niet afsluiten zonder eresaluut aan Maria, Ghislains vrouw, die altijd alles van heel nabij meebeleefde en blijft meebeleven. Ook het interview. Ghislain grapte dat hij onlangs de dokter verteld had dat hij nog 17 jaar geduld moest hebben met hem, want dat hij 100 jaar zou worden. “Dat kan best,” zei de dokter, maar hij  vreesde dat het voor Maria, even oud als Ghislain, moeilijker zou te realiseren zijn. Maria komt beter voor de dag dan Ghislain, haar rugpijn zie je niet, terwijl je er niet naast kunt kijken dat Ghislain voor al zijn doen en laten aan haar overgeleverd is. Zij is, hoe moeizaam en veeleisend het ook mag zijn, Ghislains armen en zijn benen. Ook met twee ‘nieuwe’ knieën lukt het Ghislain niet zich alleen te verplaatsen. Het is bijzonder jammer dat ook zijn rechterarm weigert te functioneren. Heel de living hangt vol met schilderijtjes en pentekeningen, vrucht van één van de hobby’s die hij  heeft moeten opgeven.  Fietsen kan Ghislain uiteraard al lang niet meer, hoe gedetailleerd de statistieken ook zijn van zijn vroegere ritten als eenzame fietser. Ook de Beernemse wandel’vereniging’ behoort tot het verleden, net zoals het afdrukken van duizenden dia’s, die hij wel nog regelmatig bekijkt. En toch, en toch liet het bandje met het interview niet alleen horen hoe graag ‘die mens’ vertelt, even overtuigend drukte Ghilains enthousiasme uit hoe graag hij lééft.

(Georges Volckaert)

Gerelateerde nieuwsberichten

Cerle Brugge KSV
RETRO - Liever 'techniek' dan 'fysiek': Philemon Desmaele



Liever 'techniek' dan 'fysiek'                      


Philemon Desmaele geïnterviewd


(redactionele nota: naar aanleiding van het overlijden van Philemon, publiceren we graag het interview dat in SHOT verscheen in mei 2008) 

1958.  Een halve eeuw geleden, op de kop.  Het  jaar dat voor elke lezer een zelfde herinnering oproept.  Zelfs wie nog lang niet kaalt of grijst, weet direct waarover het gaat.
Voor vele oma's en opa's staat dit jaartal in hun geheugen ingeprent als 'het jaar dat ik (tweemaal) (driemaal) (viermaal) ( ...) naar de Expo ben geweest'.  Dat dit laatste niet bij álle 'oude ratten' het geval is, wordt bevestigd door ex-Ratje Philemon Desmaele, een naam die klinkt als een klok voor wie Cercle al heel lang volgt in wel en wee.

 

Lees meer
Cerle Brugge KSV
Retro - Bram Vandenbussche

Retro

Bram Vandenbussche
 

"Voetbal: oorlog of feest?"


Hoelang, lezer, heb je Bram Vandenbussche in Cercleshirt zien strijden op het groene veld?  Zelfs meer dan twintig jaar is niet uitgesloten!  Naar zijn eigen zeggen, deed hij dat “met het mes tussen de tanden”.  Wat vermoed je dat hij antwoordde op de vraag of voetbal oorlog is of feest?  Ik heb die vraag al aan heel wat ex-Cerclespelers gesteld, maar Brams antwoord was uniek.  Spitsvondig was het, maar vooral knap.  Dat hoeft je niet te verwonderen, want net als Eddy Snelders is Bram ‘niet de eerste de beste’.  En zo zadel ik je voorlopig met twee open vragen op: wat komt Eddy Snelders hier te doen in dit interview, en wat was dan wel Brams antwoord op de gestelde vraag?  Wel zoals een match geen seconde eerder ten einde is dan wanneer de ref affluit, zo ook kom je pas bij het eindpunt van de slotbeschouwing alles te weten dat Bram te vertellen had…

Het zag er eerder beroerd uit voor Groen-Zwart toen het op 14 februari 2005 naar het Kiel trok om er Beerschot te bekampen.   Bij Cercles tweede jaar in Eerste na de promotie halfweg 2003 dreigde de degradatiezone dichtbij te komen, en niet alleen voor de nieuwe trainer, Harm van Velthoven, was het bijzonder belangrijk niet verder naar die gevarenzone af te glijden.   Bram, is die wedstrijd op Beerschot vast in je geheugen blijven steken?
 

Lees meer
Cerle Brugge KSV
Niet uit de lucht gegrepen - Hans Gerard

Het is geen toeval, lezer, dat de ex-Cerclespeler van wie u een interview voorgeschoteld krijgt, Hans Gerard is.  Hebt u de Shot-on-Linerubriek: “Cercle en Brugge door de jaren heen, deel 204 “ van 19 mei 2018 gelezen, dan begrijpt u meteen wat de aanleiding tot dit interview was.   Wellicht hoopte u zelfs dat er klaarheid zou volgen op wat u daar te lezen kreeg.  Is het u niet duidelijk waarover het hier gaat, dan raad ik u aan dat ‘deel 204’ door te nemen , bij voorkeur nog voordat u verder leest.  Vooraleer we over ‘dat hoofdstuk’ uitweiden, heeft Hans echter nog iets heel anders te vertellen…

Toen ik je telefonisch contacteerde, Hans, zei je me dat het een wonder is dat jij nog kunt geïnterviewd worden.  Blijkbaar had een recent ongeval fataal kunnen zijn voor jou?

Ja, en dat is pas drie maanden geleden.  In Sint-Pieters werd ik op het fietspad door een auto aangereden.  Die wagen zwierde mij in de lucht.  Ik kwam eerst op het dak ervan terecht en daarna op de grond.  Er was spoedig maar langdurig medische hulp, en ik kwam op de afdeling intensieve zorg van het AZ Sint-Jan terecht.  Om het uur kreeg ik er verzorging,  twaalf dagen lang.  Het zag er niet goed uit: ik lag daar met mijn nog recente ‘nieuwe heup’ verbrijzeld, schouderblad en vijf ribben gebroken, rechter schouder volledig uit de kom, een klaplong, genaaid zowel bovenaan als onderaan.  Eigenlijk heb ik geluk gehad in mijn ongeluk, maar dat mijn herstelproces nu bijzonder vlot verloopt is geen toeval.  Dat heb ik aan mijn positivisme te danken.  Mijn lichaam en mijn geest zijn al lang zo harmonisch op elkaar afgestemd dat ik fysiek en psychisch in een perfect fifty-fifty evenwicht leef.  Vóór mijn ongeval fietste ik dagelijks dertig tot veertig kilometer.  Kijk je hier even rond, dan vallen je ogen niet alleen op een hometrainer, maar je ziet overal  boeken en brieven liggen.  Dit Franstalige boek hier, “Energie Cosmique”, is toplectuur. Hadden alle mensen er maar een idee van wat uitgaat van een goede lichamelijke conditie en ontvankelijkheid voor de geesteskracht van een positieve levenshouding!

Niet alleen een wonder, ook een geluk voor jezelf en voor onze lezers is het,  Hans, dat ik je vandaag mag interviewen.  Je speelde drie jaar voor Groen-Zwart, van 1957 tot ’60.  Het is duidelijk dat het venijn in de staart zit, maar beginnen we toch maar bij jouw prilste begin.  Op 1 april 1936 werd er in Nieuwpoort een wel heel bijzondere aprilvis geboren.  Waren er onder de mensen die bewonderend in het wiegje keken ook broers of zussen van je, of kwam je ter wereld als de eerstgeborene van het gezin?    

Ik was de derde in de reeks van tien kinderen - eigenlijk de vierde, maar een zusje was gestorven.  Mijn vader was een hardwerkende landmeter, die duidelijk liet verstaan dat hij ons  liever over de studieboeken gebogen zag dan aan het sporten.  Mijn moeder werd door iedereen als een heel bijzondere persoonlijkheid erkend.  Voordat ze trouwde was ze hoofdverpleegster bij de bekende professor en chirurg Joseph Sebrechts in Brugge, en thuis was ze een fantastische moeder, die tegelijkertijd als een dokter was voor ons. 

Je voetbalde al in de wieg?

Al vroeg ‘sportte’ ik graag.  Fietsen, tennis, wat atletiek, lopen vooral.  Toch spande voetbal de kroon.  En het ging goed.  Wat schiet er zo meteen mijn geheugen te binnen?  Een matchke dat we met 9-4 wonnen toen ik nog kind was.  Ik scoorde er vijf van de negen.  En dat deed de ronde in Nieuwpoort!   Ook herinner ik me levendig een match op de Gistfabriek tegen ‘de Frères’: ‘k Zal dan twaalf geweest zijn, en ik mocht meespelen met de ploeg van het Brugse Sint-Lodewijkscollege.  Ik studeerde er Grieks-Latijn, en sommige spelers waren vijf jaar ouder dan ikzelf.

"Ik voetbalde dolgraag, beleefde plezier aan het spel, en dat was wat telde voor mij"

Toch was je al 21 toen je van Nieuwpoort in Provinciale naar Cercle trok in de op één na hoogste afdeling van het land.  Was Cercle een zeer bewuste keuze?

Eigenlijk niet.  Ik kende Cercle nauwelijks, had er nog geen enkele wedstrijd van gezien.  Het was Robert Braet die het klaar kreeg om me naar Cercle te loodsen.  Ook A.S. Oostende was een mogelijkheid geweest.  In de loop van mijn voetbalcarrière is een transfer naar een andere ploeg meer dan eens ter sprake gekomen.  Ik kon naar Anderlecht, maar mijn vader lag dwars wegens mijn studies architectuur aan Sint-Lucas in Gent - later heb ik  voor de bouw gewerkt, maar langer als verzekeraar.  Nadat ik goed presteerde als gelegenheidsspeler op Clubs Paastornooi, waar het heerlijk samenspelen was met technisch knappe spelers als Berre Deurwaerder en Fernand Goyvaerts, keek Club onder trainer Höffling begerig naar mij uit.  Ik ben zelfs bij Michel Van Maele thuis op bezoek geweest, maar Cercles bestuur, vooral Lucien Dhondt,  was niet te vermurwen.  Na de inhuldiging van Cercles lichtinstallatie  met een match van Groen-Zwart tegen Stade Reims in november 1957 had ik naar die Franse kampioeneploeg gekund.  En nadat ik al weg was bij Cercle had Beerschot een goed bod voor mij over.  Kijk, dat zijn dingen die ik me allemaal herinner, maar feitelijk  was het mij grotendeels gelijk voor welk team ik speelde.  Ik voetbalde dolgraag, beleefde plezier aan het spel, en dat was wat telde voor mij.  Ook nu nog volg ik graag matchen op tv, maar niet om het even welke.  Genieten kan ik alleen van creatief voetbal, individuele nummertjes, vlug doorspelen van de bal,  posities innemen, knappe combinaties, opentrekken van het spel.  Velen die naar het voetbal gaan, kijken haast uitsluitend naar de bal.  Ze zien die vliegen van achter naar voor, van rechts naar links,  heen en terug, maar ze hebben er geen oog voor hoe de spelers patronen vormen over het terrein.  Gisteren zag ik de Belgen in hun laatste oefenpot voor het WK 4-1 winnen tegen Costa Rica.  Wat een genot voor het oog Kevin De Bruyne en vooral Eden Hazard over het veld te zien draven met de bal aan de voet of positie kiezend om gaten te kunnen trekken.  Vraag me niet of voetbal oorlog is of  feest: het is alleen voetbal als het een spel is, een spel waarbij je kunt genieten van het oogstrelende, vooreerst als speler, maar evenzeer als toeschouwer.  Al speelde ik destijds natuurlijk om te winnen, het zal wel waar zijn dat ik soms eerder uit was op het speelse, het technisch vaardige, het creatieve, dan op het resultaat: Ik dribbelde zo graag…  

Bij Cercle maakte je vlug furore.  Maar heel lang duurde de pret niet.  Na drie jaar kwam er een bizar slot aan.  Op het einde van het seizoen 1959-’60 kreeg Cercle nog onverhoopt de kans om naar de hoogste afdeling te promoveren.  De beslissing viel bij een testwedstrijd tegen Patro Eisden op het veld van Club Mechelen (het huidige YR KV Mechelen).  Cercle verloor met 2-1.  Ik herinner me die match bijzonder goed en toen ik naar huis reed, was ik niet alleen over de uitslag ontgoocheld maar ook over het gebrek aan strijdlust bij Groen-Zwart. Toen, jaren later, het prachtige “Cercle Brugge KSV 1899-1989” van Roland Podevijn van de drukpersen kwam, las ik erin: “De wedstrijd mondde voor de talrijke Brugse supporters uit op een enorme ontgoocheling.  Na een effenaf teleurstellende Cercleprestatie werd er met 2-1 verloren.  Enkele spelers hadden tegen hun gewoonte in opvallend gelaten, inspiratieloos en ondermaats gevoetbald … Dat was niet ‘normaal’!”  Jij, Hans, kon het niet geweest zijn die ‘ondermaats’ presteerde, want  … nadat je 12 goals had gescoord in 24 matchen, was jij er niet bij – je mocht er niet bij zijn!  Maar wat las ik enkele dagen geleden op Shot-on-Line?  Weliswaar had ik al ‘geruchten’ die niet minder suggestief waren dan bovenstaand citaat voordien opgevangen, maar wat ik daar las, was niet om er stil bij te blijven zitten.  Vandaar het verzoek van onze hoofdredacteur om te luisteren naar jouw visie erop.

[Ter wille van de lezer die het vermelde ‘deel 204’ niet leest, citeer ik één zin uit die tekst, kort na de testmatch in het Brugsch Handelsblad verschenen:  “De trainer en zijn blinde volgelingen hebben waarlijk te veel ‘met zijn voeten gespeeld’ en anderen zouden het wellicht reeds lang stilgelegd hebben.”  Na lectuur van de volledige tekst, reageerde Hans als een gentleman: feiten ontkennen kon hij niet, schuldigen vrijpleiten kon hij evenmin, maar hij stond erop ook na zo lange tijd de sluier van de anonimiteit te behouden boven het hoofd van wie trainer Delfour zijn eigenzinnigheid liet doordrijven.]

Straks is het zestig jaar geleden, Hans, maar hoe kijkt u op de dag van vandaag daar tegenaan?

Al wat hier gezegd wordt, klopt.  En de testwedstrijd heb ik gezien … van op de tribune.  Hoe zat het allemaal juist in elkaar?  Heel het gebeuren, heel de achtergrond ervan, was mij duidelijk van naaldje tot draadje.  Het was trouwens niet de eerste keer dat het voor de spelers interessanter was niet te winnen, en dat niet alleen voor hen die vermoedelijk geen kans zouden krijgen in de hoogste afdeling.  Er komt nu nog een binnenpretje bij me op als ik denk aan een match op A.S. Oostende.  Wat panikeerden we toen Vic Derboven ons van ver van het doel af op voorsprong schoot!  We mochten niet winnen, en ja, hoor, het lukte ons om met 3-2 het onderspit te delven.  Dat was nog vóór het seizoen dat op die testmatch eindigde.  Ja, dat ik al een tijdje voor de testmatch aan de zijlijn gehouden werd, niet zelf het veld mocht opdraven, lag inderdaad zoals het artikel te verstaan geeft, niet alleen, zij het wel vooral, aan Edmond Delfour.  Ik weet heel goed hoe ik hem op de tenen had getrapt, maar wat zou eraan gewonnen zijn als ik dat uit de doeken deed?  Het komt er wel op neer dat ik mijn ogen niet sloot waar hij me dat liever had zien doen.  Wat kan ik hier verder nog over zeggen?  Dit alleszins, dat ik er geen trauma aan overgehouden heb, lang niet.  Ik had graag bij Cercle gespeeld, maar zo kon het niet verder.  Als het er zo aan toeging, kon ik er geen plezier meer aan beleven.  Ofwel voetbalde ik niet meer, ofwel werd ik getransfereerd.

Het werd een transfer naar Union Sint-Gillis, en kwalijk viel dat nu precies ook niet uit, want ‘den Union’ speelde in de Eerste Afdeling.  Cercle promoveerde dus niet, maar jij wél!

Bij Union kwam ik wel in onze hoofdstad terecht, maar niet in de hemel!  Ik was er semiprof, maar er was meer dat tegenviel dan dat er meeviel.  In een match tegen Beerschot werd ik brutaal gekwetst.  Er volgde een meniscusoperatie, en daarbij werd ik ‘mismeesterd’.  Onze trainer was niet vrij van vriendjespolitiek, en op het einde van mijn tweede jaar degradeerden we.  S.K. Roeselare lijfde me in, en ik trof er Robert Goethals aan, die een prima trainer was en mij weer intense vreugde in het spel bezorgde. Toen hij drie jaar later naar V.G. Oostende trok, vroeg hij me mee, en met de kustjongens speelden we kampioen.  Ten slotte heb ik nog even in Wevelgem gevoetbald.  Tijdens het weekend gaf ik daar tennisles, en dat ik een half jaartje trainer-speler werd bij S.V. was grotendeels een vriendendienst.

Na de desastreuse testmatch halfweg 1960 vreesden velen dat het met Cercle  bergaf zou gaan, te meer doordat jij er niet meer bij was, maar promotie was slechts uitgesteld.  Eén jaar later promoveerde Cercle als tweede, samen met kampioen Diest. Weet je nog hoe dat bij jou overkwam, hoe jij daar tegenaan keek?

Wel, al speelde mijn broer Jo nog bij Groen-Zwart, zelf had ik niet alleen niets meer met Cercle te maken, maar ook psychisch had ik afstand genomen van wat toch voorbij was.  Voetbal is in tegenstelling tot mijn druk zakenleven altijd een bijzaak geweest voor mij.  Ik draag Cercle geen rancune toe, en vanuit de loges samen met Fernand Van Damme, zoon van de gewezen burgemeester van Brugge en ex-voorzitter van Cercle, heb ik Groen-Zwart later nog een aantal matchen zien spelen in Jan Breydel.  

Hans woont in hartje Brugge, in het Prinsenhof, zijstraat van de Geldmuntstraat.  Hij is 82 jaar jong.  Dat ‘jong’ schrijf ik niet zomaar.  Erop wijzend dat voor nogal wat mensen op zijn leeftijd de dagen eentonig verlopen, dat elke volgende dag hun als een herhaling van de vorige overkomt, vroeg ik Hans of hij dat ook zo aanvoelde.  Het was eigenlijk een retorische vraag.  Hans’ vitaliteit was me al duidelijk vanaf het begin van het gesprek. Ik kon dan ook niet verwonderd zijn over het centrale woord van zijn antwoord: net zoals bij het voetbal is hij dag in dag uit op niets meer uit dan op ‘creativiteit’.  “Altijd ben ik creatief bezig,” beklemtoont hij, “ik denk, ik lees, ik schrijf, onophoudelijk gedreven door kosmische energie, de basis van het ontstaan en het bestaan van ALLES.”

(Georges Volckaert)

Lees meer
Cerle Brugge KSV
Kampioenen!

Na publicatie van dit stukje zijn er nog twintig dagen te gaan tot de viering van Cercle in Brugge.  Als opwarmertje even een terugblik op de vorige promotie.  

Vijftien jaar geleden promoveerde Cercle, na een verblijf van zes jaar in tweede, terug naar eerste afdeling.

Ook toen was het super spannend tot het eindsignaal in de laatste wedstrijd.  Geen dubbele finale zoals nu, maar de allerlaatste competitiewedstrijd.  Bij Groen-Zwart altijd suspense, nietwaar?

In mei 2003 kon Cercle kampioen spelen op één speeldag voor het einde.  Mits winst op het veld van Zulte-Waregem was het feesten geblazen.  Een indrukwekkend Groen-Zwart supporterslegioen trok naar de Gaverbeek.  Lang zag het er naar uit dat de buit binnen was.  De scheidsrechter besloot er anders over en gaf de Gaverbeekjongens een strafschop cadeau en Denis Viane rood.  Een duidelijke strafschopfout er na op Arys leverde … een gele kaart  op voor onze aanvaller.  Je zou hier een “Brys’ke” kunnen over opzetten.

Het moest dan maar thuis gebeuren op de laatste speeldag (11 mei) tegen het bescheiden Dessel Sport.  De schrik sloeg iedereen om het hart toen de bezoekers zowaar op een 0-1 voorsprong kwamen.  Twee kopbaldoelpunten van Sebastien Stassin zorgden echter voor de langverwachte (en broodnodige) promotie.

De toen ongeveer 6000 toeschouwers gingen uit de bol.  

Op zaterdag 24 mei werd Cercle gehuldigd door zowel de stad Brugge (Burgemeester Moenaert) publiekelijk op de Markt, als door de Provincie West-Vlaanderen (Gouverneur Breyne) in het Provinciaal Hof.  

Tot 21 april 2018.

Georges Debacker
Hoofdredacteur SHOT-online

Lees meer
Cerle Brugge KSV
Laatste koploper van heerlijke reeks? Frederik Boi

Frederik Boi weet wat waardering verdient, en wat niet.  Van statistieken houdt hij niet.  Zozeer is hij ervan doordrongen dat voetbal een teamgebeuren is dat hij lijsten van top-schutters en meeste assists eerder als een bekoring tot individualisme beschouwt dan als een uitdrukking van verdienste.  Al staat hijzelf er niet bij stil, zijn naam prijkt bovenaan een heerlijke, statistische weergave. Vragen we ons af welke Cerclespeler voorlopig de laatste is die meer dan driehonderd keren in een officiële match de Groen-Zwarte kleuren verdedigde, dan is ‘Fré’ het antwoord. Met 325 wedstrijden nam hij die koppositie in na zijn laatste Cerclematch in april 2014.  Daarmee verdrong hij na bijna drie jaar Denis Viane van die plaats, die op niet minder dan 383 beurten kan bogen.  En wie zal Fré opvolgen?  Bij het zo veranderde voetballandschap, is de kans op een opvolger wel flinterdun.

Fré, het vorige retro-interview vond plaats in Stekene ten huize van Anthony Portier, nu zitten we hier in jouw huis in Sint-Andries, rechtover de Olympiaterreinen.  Jij en Anthony komen om dezelfde reden aan de beurt: je beëindigt een lange, in hoge mate Zwart-Groen gekleurde, voetbalcarrière.   Anthony houdt ermee op wegens knieletsels, tijdwinst voor zijn gezin en omdat het plezier aan het spel er niet meer is.  En jij, waarom?

Aan meer tijd voor mijn gezin en familiale aangelegenheden hecht ook ik veel belang,  maar bovendien is  de combinatie van mijn werk en competitief voetballen niet meer mogelijk.  Ik droomde er al van voetballer te worden toen ik nog niet eens op de lagere school zat, maar nog voor ik naar het middelbaar ging intrigeerde mij ook alles wat met informatica te maken had.  Sinds een half jaar werk ik nu bij Epson, een Japans bedrijf met wereldwijd 70.000 werknemers, dat printers, scanners en projectoren produceert.  Zozeer een droomjob is dat voor mij, dat ik er de tijdrovende verplaatsing graag bijneem.  Elke werkdag trotseer ik met mijn auto de afstand tussen thuis en Diegem, in de buurt van de Nationale Luchthaven.  Dat komt gemiddeld neer op tweemaal honderd minuten. Per trein zou het even lang duren, en geregeld neem ik zware pakken materiaal mee.

Je hebt ettelijke paren voetbalschoenen bij de Cerclejeugd versleten.  Wat is je uit je prilste Cerclejaren vooral bijgebleven?

Ik kwam als vanzelf als vijf- of zesjarige in het spoor van mijn neef en broers in Cercles Voetbalschool terecht.  De Groen-Zwarte jeugdopleiding stond hoog aangeschreven, het niveau moest zeker niet onderdoen voor dat van ‘de buren’.  Ik was tenger en klein zodat ik  fysisch iets achter was op mijn leeftijdgenoten, maar mijn trainers zagen wel kwaliteiten in mij.  Cercle had toen niet alleen nationale maar ook provinciale jeugdploegen, en meer dan mijn medespelertjes ging ik over van het ene naar het andere niveau.  Ik kon hemelhoog juichen als ik naar ‘nationale’ overgeheveld werd, maar ook bij ‘provinciale’ was het heerlijk voetballen en met veel inzet.  Onder meer met Jan Masureel, Stijn Willems, Bram Vandenbussche en Pieter Doom heb ik goeie vrienden uit ‘provinciale’ overgehouden.  

Je startte als negentienjarige bij de Eerste Ploeg in december 2000.  Herinner je nog die eerste match?  Misschien weet je nog wat jij bij je selectie het meest was: verwonderd, blij, zenuwachtig of zelfzeker? 

Blij was ik alleszins, maar niet verwonderd.  Het moest ervan komen.  In tegenstelling tot de overgrote meerderheid van de trainers, keek Dennis van Wijk niet alleen naar ‘namen’, maar wie goed presteerde op training, kreeg vroeg of laat de kans om zich tijdens het weekend te bewijzen.  Zenuwachtig was ik toen niet, dat was ik pas later bij mijn eerste derby in het fanionelftal.  En zelfzeker?  Aan zelfvertrouwen ontbrak het me niet.  En, ja, het verloop van die eerste match zie ik nog voor ogen.  We verloren thuis met 1-2 tegen Maasmechelen, dat nochtans niet hoog gequoteerd stond.  Na de match was van Wijk in alle staten…  Hoe ik het er zelf van afgebracht had?  Bij mijn eerste duel kreeg ik een klop op mijn hoofd, en kinesist Geert Leys mocht het veld op om mij te verzorgen.  “Zo gaat dat bij de grote jongens,” zei hij.   En ik moest niet lang wachten op bevestiging daarvan, slechts tot mijn tweede match… 

In het ‘Cerclemuseum’ tref ik iets aan dat me bijzonder merkwaardig lijkt.   In je debuutjaar speelde je 6 competitiewedstrijden, het jaar erop 3, en 7 tijdens het daarop volgende seizoen, Cercles kampioenenjaar 2002-‘3.  Met Cercle in Eerste was je er meteen 28 keren bij en vervolgens was je nog zeven seizoenen na elkaar een vaste waarde met minstens 25 beurten.  Een trainer is een machtig man, maar aan zijn voorkeur kon het niet gelegen zijn want zowel juist na als juist voor de promotie had Jerko Tipuric het roer in handen. Blijkbaar was jij niet goed genoeg voor Tweede, maar onmisbaar in Eerste?

In het kampioenenjaar begon ik heel goed, werd zelfs in een krantenartikel als de revelatie van het seizoenbegin bestempeld.  Tegen Geel speelde ik voor de eerste keer in het midden, voordien rechtsbuiten, en na de match zei Jerko mij: “Jij gaat nooit meer weg uit het midden.”  Nog voor die term bestond, draafde ik toen het veld af als ‘box-to-box speler’, en  dankzij mijn goeie conditie had ik daar geen moeite mee.  Na enkele matchen, helaas, werd ik in Heusden-Zolder zwaar getackeld, recht op mijn knieën.  Mijn mediale band was zo goed als door, en de revalidatie duurde verschrikkelijk lang, voor een stuk doordat ik te vroeg weer op het veld wilde staan.  ‘k Heb alleen nog één match gespeeld op het einde van het seizoen, op Maasmechelen.  

"Jerko is een prima trainer.  Zijn enige gebrek is ‘dat hij zich niet weet te verkopen".

Och, blessure, aan die meest voor de hand liggende verklaring had ik niet eens gedacht!  Na één jaar Eerste deed zich een grote verrassing voor: Tipuric was erin geslaagd Cercle in de topklasse te behouden, maar Harm van Veldhoven nam zijn plaats in.

Die trainerswissel vernamen wij al in Westerlo, juist voor de laatste wedstrijd van het seizoen.  Het zat verschillende spelers zo hoog dat ze, vooral onder impuls van Vital Borkelmans, dreigden de match niet te spelen.  “Wij spelen niet,” zei Vital.  “Je speelt wel,” zei Jerko.  En … we keerden naar Brugge terug met een 1-1 gelijkspel. Ja, dat we  in Eerste bleven met de kern die we toen hadden, was een half mirakel.  Jerko door Harm vervangen konden we nauwelijks begrijpen, ook omdat Cercle toen het kleinste budget van heel de reeks had.  En, terloops, ik beëindig straks mijn voetbalcarrière bij het pas naar Eerste Provinciale gepromoveerde Sporting Blankenberge.  Wie is er de trainer?  Jerko.  Staan we op een degradatieplaats?  Neen, je vindt ons zelfs in de eerste helft van de rangschikking.

Jerko blijft?  Neen.  Maar toch is het niet helemaal hetzelfde als bij Cercle halfweg 2004.  Dat men bij een degelijk spelend voetbalteam na zes jaar hoe dan ook graag eens nieuwe wind laat waaien is minder verwonderlijk dan na twee jaar, zoals toen.   Jerko is een prima trainer.  Zijn enige gebrek is ‘dat hij zich niet weet te verkopen’.

Tijdens Cercles gloriejaar, het eerste onder Glen De Boeck, trok jij voor niet minder dan 33 competitiematchen het Groen-Zwarte shirt aan.  Volgens Anthony Portier waren Cercles knalprestaties wel degelijk eerst en vooral aan Glen te danken.  Deel je zijn mening?

Heel zeker.  Vooreerst beschikte Glen over een stel fantastische spelers, maar daarnaast was zijn aanpak  zoals voetbal hoort te zijn: zo eenvoudig, zo simpel als het maar kan.  Dat komt erop neer dat iedere speler heel duidelijk moet weten wat hem als pion van een team op het voetbalschaakbord te doen staat.  En we wisten het! “Jij dit, jij dat, jij dit, jij dat …”  Voetbal is een loopsport, je moet voortdurend bewegen en je moet erop kunnen betrouwen: “Recupereer ik de bal, dan staat daar een medespeler die ik kan aanspelen.” Elke week opnieuw prentte Glen het ons in, steeds weer hetzelfde, zo ongecompliceerd mogelijk moest het zijn.  We hadden alleen maar verstandige spelers, maar waren er een paar blinden bij geweest, dan nog hadden die geweten wat hen te doen stond.  Wat ons tijdens Glens eerste jaar genekt heeft, dat is de gescheurde kruisband van Tom De Sutter in februari.

Maar dat Glen de glansprestatie van zijn eerste jaar erna niet heeft kunnen overdoen, heeft hij toch wel aan zichzelf te wijten.  “Wij zijn te voorspelbaar,” vreesde hij, en hij stapte af van zijn voor ons zo hanteerbaar systeem.  Ik kan het niet genoeg beklemtonen: “In voetbal is simpel spelen het beste, maar het moeilijkste dat er is.”  Weet je welke speler ik het meest bewonderde omdat hij alles zo eenvoudig mogelijk aanpakte? Dat was Oleg Iachtchouk.  Zijn balcontrole was altijd goed.  Zoals alles bij hem, leek zijn meesterschap over de bal en zijn voortgang in het spel vanzelfsprekend. Kreeg jij echter zo’n bal toegespeeld, dan lag die plots een halve meter weg van je voet.  Een eenvoudige, een intelligente, ook een leuke voetballer was Oleg. 

Dankten jullie je sterkte ook niet aan het feit dat Glen tot het uiterste ging  om de fysische conditie op te drijven? 

Ja, Glen was veeleisend, zeker ook qua fysische paraatheid.  ‘k Zie ons nog een uur aan een stuk ‘volle bak’ lopen in Tillegem.  En ook vele baloefeningen bleven duren tot onze tong op het gras lag…  Ik mag echter gerust beweren dat ik een van de spelers was die daar het minst last van had.  Ik heb het perfecte voetballichaam niet, maar wel een fysisch gestel dat geschikt is voor duursporten.  Wat ik als voetballer het meest mis, dat is kracht, en dat heb ik altijd weten te compenseren door ‘adem’ en snelheid.   ‘k Bezit beelden waarop ik tachtig meter loop langs de zijkant van het veld, de bal rond het penaltypunt van de tegenstander stil leg, binnenschiet, en rustig dooradem alsof ik twee stappen had gezet.

"Echte supporters vereenzelvigen zich ook met hun team als het maar niet wil lukken". 

Niet alleen over Glen De Boeck als trainer kun je meespreken, je hebt er in Cercles fanionelftal, asjeblief,  zeven meegemaakt: Dennis van Wijk, Jerko Tipuric, Harm van Veldhoven, Glen, Bob Peeters, Foeke Booy en Lorenzo Staelens.  Twee vragen liggen voor de hand: wie vond jij de beste, en zou je nu met elk van hen even graag aan tafel gaan zitten?

De meeste trainers die ik heb gehad, waren zeer degelijk, en twee van hen waren zelfs zo goed dat ze nog een paar centimeters boven Jerko uitstaken.  Dat waren Glen en, op gelijke hoogte, Yves Van Borm toen ik bij Knokke speelde. Dat ze ‘de beste’ waren, betekent lang niet dat ik met hen het minst in botsing ben gekomen, zelfs niet dat ik nu met hen het liefst zou tafelen. Een en ander kan complex zijn, hoor.  Dennis van Wijk, bijvoorbeeld, kent geen greintje medelijden op het voetbalveld, maar hij is een crème van een mens erbuiten.

We gaan even weg van Cercle.  Nog voor Van Borm heb jij dat trouwens al gedaan.  Je trok halfweg 2011 naar Oud-Heverlee Leuven, kwam na anderhalf jaar terug naar het Groen-Zwarte Olympia, je werd begin 2015 door Cercle eventjes uitgeleend aan Izegem, knokte twee jaar bij F.C. Knokke en nu ben je aan je laatste matchen bij Sporting Blankenberge toe.  

Bij OHL voelde ik me goed thuis, maar toch was ik blij dat Cercle me weer met open armen ontving.  Ook van de supporters voelde ik hun ‘welkom’ aan - en supporters zijn écht ‘de twaalfde man’: niet elke speler voelt het even intens aan, maar de meesten geeft het een kick van vertrouwen als de supporters positief op hun spel reageren. Al te veel supporters denken dat ze betalen om je te zien winnen, maar, neen, ze staan van hun centen af om je zo goed te zien spelen als het je mogelijk is!  Echte supporters vereenzelvigen zich ook met hun team als het maar niet wil lukken. 

U denkt, lezer, ik kom aan de slotbeschouwing van het interview, en dàt waarmee iedere Cerclesupporter Fré omkranst, is niet eens ter sprake gekomen.  17 december 2006, juist voor de winterstop, Cercle-Club, 63ste minuut: Fré keilt de bal tussen de blauw-zwarte doelpalen.  Het blijft 1-0 tot de scheidsrechter affluit.  Wat een vreugde, wat een euforie!  Eén seconde van uniek succes, en Fré is en blijft levenslang wereldberoemd in heel Brugge!  “Ja, zeker, daarover spreken velen me nog dikwijls aan.”  Op mijn slotvraag of het blijde nieuws dat ik vanmorgen in het Nieuwsblad gelezen heb, klopt, bevestigt Fré dat het, alles in acht genomen, onwaarschijnlijk goed evolueert met Alexander, zijn broer die nog geen maand geleden het slachtoffer werd van een zwaar verkeersongeval.  Een flits, ook hier, maar een gevolg dat écht ingrijpt in het leven.  Voor Alexander, vanzelfsprekend.  Voor Fré ook?  “Ik had voordien al besloten te stoppen met voetballen.  Zoveel tijd eist mijn werk van mij op, dat ik er te allen koste genoeg moet vrij maken voor mijn vrouw, mijn twee dochtertjes en heel mijn familie.  Alexanders accident bevestigt wat ik me al goed bewust was: tijd dient ertoe om die zo interessant mogelijk door te brengen.”

(Georges Volckaert)

Lees meer