koop tickets online

Shot-online retro: Ghislain Somers geïnterviewd (herpublicatie)

RETRO                                                                                             

Een gelukkig toeval…  

Ghislain Somers geïnterviewd

(nvdr: dit is een herpublicatie van een interview dat in april 2011 verscheen in SHOT.  Dit artikel is in combinatie met het spelersinterview elders op “SHOT-online” (“Praatje met een speler”) met Thibo Somers, zijn neef die recent een semi-profcontract ondertekende.  Ghislain overleed op 4 juli 2015)

“Je hoort dat die mens dat graag vertelt.” Terloops vangt mijn vrouw enkele flitsen op van het bandje dat ik beluister na het interview met Ghislain Somers. Ghilains enthousiasme is zo aanstekelijk dat mijn echtgenote even blijft staan. Het treft haar dat Ghislain zo geniet van wat hij laat horen. De mond die overloopt van datgene waar het hart van vol is, is de spraakfontein van een groentje. Maar het betreft dan wel een groentje van 83 jaar! Zijn eerste van 80 matchen bij het Groen-Zwarte fanionelftal speelde hij in januari 1947, ruim 64 jaar geleden dus. En vanzelfsprekend dat Ghislain grasgroen was, was het geenszins. Vier broers van hem, wel degelijk elkeen van zijn vier broers, trokken een blauw-zwart shirt aan. Nu zou het mooi zijn als ik kon toevoegen dat Ghislain zo overtuigd groen was, dat het nooit bij hem had kunnen opkomen met hetzelfde voetbalplunje als dat van zijn broers voor de dag te komen. Doch, neen, zoals spoedig zal blijken, was het zomaar het toeval dat Ghislain de goede kant uitstuurde. Maar, zo zegt hij uitdrukkelijk, het was een gelúkkig toeval! 

Wellicht heb je alle rangen van de Cerclejeugd doorlopen, Ghislain?

Neen, dat deed ik niet. Maar het is een vreemd verhaal, hoor. Wat nu niet meer denkbaar is, kon vroeger wel. Als kind al deed ik niets liever dan voetballen. Ik woonde in Brugge, in de Sint-Gillisparochie. Met onze school speelden we af en toe tegen andere scholen. Toen ik wou meespelen, mocht ik niet, tenzij ik een kaart ondertekende. Dat deed ik dan ook. Het bleek dat ik me zo bij Cercle aangesloten had. Misschien een maand later moest ik weer een kaart ondertekenen om opnieuw mee te mogen spelen. En dat was een aansluitingskaart bij Club. Natuurlijk deed ik dat. Voor mij leek dat allemaal zonder enig belang. ‘k Ging weg van school toen ik 14 was, en na enkele jaren voetbalde ik – als goalkeeper! – bij … Ruddervoorde! Toen kwam er een man voor de dag die doorhad dat ik eigenlijk enkel en alleen bij Cercle aangesloten was, en hij hevelde mij over naar de Cerclejuniors. Aan die man zou ik verder nog veel te danken hebben, hij steunde mij in alles. En die man, dat was … Edmond Van Iseghem. Hoewel heel Sint-Gillis blauw in- en uitademde, hoewel mijn vader en mijn broers blauw waren tot achter hun oren, speelde ik bij Cercle – eerst bij de juniors, een paar matchen slechts als keeper, en daarna bij de reserves en de eerste ploeg, als middenvelder, soms aanvallend maar liever verdedigend. En ‘k heb het mij nooit beklaagd, ik was graag bij Cercle.
 

Cerle Brugge KSV

Je kwam een eerste keer in Cercles eerste elftal in januari 1947, halfweg het seizoen. Dat was zowat de tijd dat Robert Braet zijn keeperstrui definitief opborg. Wat herinner jij je nog uit die begintijd van je Cerclecarrière?

In 1946-’47 speelde ik maar twee matchen bij ‘de groten’. In mijn eerste match, op Stade Leuven, verloren we met 2-1, en al scoorde ik in mijn maidenmatch, toch werd ik het zwarte schaap nadat we de volgende week thuis tegen Racing Doornik opnieuw verloren. 0-1 werd het toen. Maar ik speelde ook wel graag bij de reserves, want dan mocht ik ook corporatief spelen, bij ‘de Brugeoise’, en daar werkten we fantastische competities af, met ploegen uit heel het land en waarin veel goede spelers uitkwamen, zelfs uit de Ere-afdeling, uit de hoogste klasse dus van ons nationaal voetbal. Met Robert Braet heb ik niet samen in competitie gespeeld, alleen maar één vriendenmatch. Als Braet mij voor ogen komt, zie ik hem altijd iets doen wat vroeger toegelaten werd: je mocht met de borst een tegenstrever afweren. Robert heeft er zo veel van zich weggeduwd. ’t Was soms komisch, zeker als Braet bijna dubbel zo groot was als het mannetje dat op hem afkwam. Maar voor mij was het mooiste dat ik als ‘jong gastje’ in een prachtige groep kameraden terechtkwam. Misschien kan ik ze nog wel allemaal zomaar voor mijn ogen zien paraderen: Fernand De Corte, Etienne De Grande, Roger Claeys, Sylvère Vanden Berghe, Maurice Crépain, Fernand Van Middel, Gaston Maes, Etienne Wybaillie, Adhemar Slabbinck, Mon Verté, Pietje Roggeman, Marcel Pertry, Joël Hoste, André Heyns, Pierre Schotte, André Cherlet…

En spélen, dat was het eerste waar het op aankwam.

Het jaar daarop was je beste Cerclejaar. Cercle eindigde als vijfde, daarna driemaal als elfde en tijdens je laatste seizoen kwam Groen-Zwart als vijftiende veel te kort om in het nieuwe Excellentie te belanden en moest het op betere tijden hopen in de derde afdeling.

1947-’48 was míjn beste jaar niet, want ik speelde maar tien matchen. In mijn voorlaatste jaar, ’50-51, mocht ik 26 keren de groene mat op. Ik brak pas echt door toen ‘oude rat’ Gaston Maes het voor bekeken hield. Ja, al die jaren braken we geen potten, maar toch speelden wij vol inzet en overgave. En spélen, dat was het eerste waar het op aankwam. Niet dat we ons ooit vooraf verloren gaven – elke match wilden we winnen! – maar voor wie circuleerde tussen de reserves en de eerste ploeg was meespelen prioritair. Zo was ik er in 47-48 jammer genoeg niet bij toen de eerste naoorlogse Brugse derby’s gespeeld werden tegen het gedegradeerde Club: 1-1 thuis en 2-1 verlies op de Klokke. ’t Jaar daarna speelde Cercle op eigen veld weer gelijk, maar op Club werd het een 6-0 pandoering. ‘k Herinner me, helaas, meer zware nederlagen voor Groen-Zwart dan het tegenovergestelde. In dat beste, voorlaatste seizoen van mij was ik er tweemaal bij toen we niet te verteren afstraffingen kregen van White Star: 1-7 en 6-1. In de ene match moest ik Straetmans proberen in toom te houden, in de andere Hippolyte Van den Bosch, die later voor Anderlecht uitkwam. Dat waren zeker van de sterkste tegenspelers tegen wie ik ooit uitkwam. En voorin liep daar bij White Star ook nog een goalgetter als Leonce Dimanche. 

Zelf heb ik jouw Cerclejaren als knaap meebeleefd. In mijn kinderogen waren spelers als bijvoorbeeld Adi Slabbinck, Marin Roje of Marcel Pertry zulke supersterren dat ik me nauwelijks kon indenken dat er nog betere voetballers bestonden, op de internationalen na die voor mij buiten elke categorie vielen. Hadden die Cerclemonumenten meegekund in eerste klasse?

Ik heb altijd gespeeld in wat nu de tweede klasse genoemd wordt, en als je naar de toen behaalde resultaten kijkt, kan het toch niet dat Cercle uit supervedetten zou bestaan hebben. Maar je noemt daar toch wel drie bijzonder goede spelers. Roje was een heel sterke back, wat hij als ‘de held van Ankara’ ook bij de nationale militaire ploeg heeft bewezen. Pertry was een schitterende ‘centrefor’, heel snel, met een hard shot, zowel links als rechts. En Slabbinck, die was een krak van een stopper, maar ‘k weet niet of hij in eerste klasse had meegekund. Hij was toch eerder een speler van ‘mij niet voorbij’ en ‘hard en verre’. Voor ons was Adi een rots, maar in het voetbal van vandaag met al die korte pasjes zouden weinig trainers het voor hem gehad hebben.

En zelf? Wat voor een speler was jijzelf?

‘k Denk dat ik twee sterke punten had. Vooreerst had ik een goed speloverzicht. Als ik een bal in de voeten kreeg, had ik meestal vooraf al gezien naar wie ik die het best kon doorspelen. En desnoods mocht ik het leer gerust blindelings een lel geven ver naar de hoek toe. Ik trainde daar speciaal op. De trainer – ‘k geloof dat het Vanden Bempt was – zei: “Als je naar de cornervlag shot, moet er daar altijd één in de buurt zijn om de bal op te vangen,” en zo moest ik op training voortdurend van een heel eind ver de cornervlag viseren. Naast een klare kijk op het spel, waardeerden mijn medespelers vooral mijn kopspel. Dat ik goed kon koppen, was geen toeval, maar ook voor een stuk aan een trainer te danken. Waar later de chalet kwam te staan, was er toen nog een open plek, en Louis Baes liet daar een galg plaatsen. Jawel, een galg! Niet om ons af te schrikken, maar om al koppend de bal door de lus te krijgen. Durfde ik wat vroeg naar de training te komen, dan riep Louis: “Ghislain, koppen, hé!”. ‘k Zie me nog bezig, soms twintig minuten aan een stuk, springen en koppen, springen en koppen, … In diezelfde ruimte was er ook een muurtje waartegen we onze mindere voet moesten oefenen, en ‘k heb er véél ballen tegen mogen trappen want ‘k had maar één voet, mijn rechtse.

Je was pas 25 toen jij je laatste Cerclematch speelde. Net zoals bij je debuut was het seizoen pas halfweg, weer was het in januari. Dat is eigenaardig…

13 januari 1952. Cercle ontvangt het niet zo sterke Vigor Hamme, en toch wordt het 0-5. Het giet water. Het speelt zich vlak voor de grote tribune af. Pieters, een vent lijk een boom, staat voor me, de bal in zijn voeten. Ik denk dat hij me zal proberen te passeren maar, neen, patat, keihard schiet hij de loodzware bal in mijn gezicht, onderaan mijn voorhoofd. Ik val in ’t gras, “van mezelven”. Ze gieten een halve emmer ijskoud water over mijn gezicht, en ik strompel weer het veld op. ‘k Kom nauwelijks aan de bal, altijd een stap te kort, en krijg ik die toch eens aan mijn voeten, dan zwijmel ik evenzeer naar mijn eigen keeper toe als naar het doel van Hamme. Tot ik van het veld genomen word. ’s Anderendaags heb ik koppijn, ga niet werken, speel ’s avonds een partijtje lotto en val plots pardoes op de grond. Ik was volledig lam. Zes weken lang, en daarna nog een hele tijd gedeeltelijk. Cercle laat me naar de dokter gaan die aangesteld is door de ‘Assurance’. Voordat ik wegga, zegt die man: ‘Als ze komen van de Assurance moet je zeggen dat ik je een ‘pikeure’ in je ruggengraat gegeven heb.’ Ze komen, en al is het niet waar, ik zeg wat me opgelegd is. Daarna ga ik naar mijn huisdokter. Die onderzoekt me grondig en hij zegt tegen mijn vrouw, in alle ernst: “Madame, je bent te beklagen, Ghislain zal lam blijven of hij zal zot worden.” Ik kom terecht bij dokter Dehaene, neuroloog, Jean-Lucs vader. Minstens drie keren moet ik hem nauwkeurig vertellen wat er allemaal gebeurd is. Hij zorgt ervoor dat ik nog minstens een maand moet thuisblijven van mijn werk.

één keer stonden er vier Somersen tegelijk op het veld

Cerle Brugge KSV

Maar je hebt nog gevoetbald nadien, lang zelfs, zij het niet meer bij Cercle?...

Al kan ik niet beschrijven wat wij allemaal hebben meegemaakt, toch was ik er het volgende seizoen weer bij als de trainingen op Cercle begonnen. Ik kreeg echter een papiertje voor mijn neus geschoteld dat ik moest ondertekenen en dat kwam erop neer dat de Assurantie me niet meer aanvaardde. Heeft dat nu met die gefantaseerde ‘pikeure’ te maken? Ik weet het niet. Hoe dan ook, ’t kwam erop neer dat ik alleen nog op  eigen risico kon verder spelen. Natuurlijk heb ik dat geweigerd – ‘k was niet alleen niet lam meer, maar ‘k was ook niet zot! ‘k Heb dan een seizoen stilgelegen, en daarna nog wel een jaar of tien bij Ruddervoorde gespeeld, gedekt door… dezelfde Assurantie! Ook corporatief heb ik nog heel veel voetbalvreugde en -succes gekend, eerst bij de Brugeoise, dan bij Glaverbel en dan weer bij de Brugeoise. Bij Ruddervoorde begon ik als speler, werd dan speler-trainer en eindigde als trainer. Bij Cercle wisten ze heel goed dat ik weer goed op dreef was, maar ze gooiden geen visje uit…

Je hebt het een gelukkig toeval genoemd dat je bij Cercle terechtkwam. Je bent toch niet in onvrede weggegaan? 

‘k Was kwaad op Cercle. ‘k Wilde niet meer naar Cercle gaan kijken. Maar men zegt dat de tijd alle wonden geneest. En ja, heel lang al klopt er hier binnenin weer iets waardoor ik intens meeleef met al wat Groen-Zwart is. En dat is nog sterk toegenomen sinds Thibo bij Cercle speelt. Thibo is Lucs zoon, en Luc is de zoon van Gilbert, mijn broer die in leeftijd direct na mij komt en die ook bij Club gespeeld heeft, maar niet zoveel als mijn andere drie broers. Men zegt me dat Thibo echt goed is, en alleszins zijn z’n vader en hijzelf heel content bij Cercle.  

Over de vijf voetballende broers Somers moeten we alleszins ook nog een en ander zeggen. Was het oorlog bij jullie thuis destijds tussen jou en die vier blauwe?

We hebben nooit alle vijf in een zelfde match gespeeld, en maar één keer stonden er vier Somersen tegelijk op het veld, en ’t ging dan nog om een vriendenmatch. Onze ouders hadden vijf zonen in negen jaar. Adrien was de oudste, van 1925. Hij speelde 321 matchen bij Club. Hij was in alles streng voor zichzelf, was zo een beetje een filosoof, hij wist van alles en wij luisterden en keken op naar hem. Er was veel Clubvolk en ook nogal wat Cerclevolk op zijn begrafenis, in augustus 2008. Ik ben van 1927, Gilbert van ’29, René van ’30 en Robert van ‘34. Je vroeg hoe het er thuis aan toeging. Wel, veel supporters van Club en Cercle konden elkaar niet verdragen maar de spelers zelf kenden elkaar heel goed en bijvoorbeeld in de dug-out voor een match maakten we meer plezier dan dat we mekaar in het haar zaten. Zo verliep het thuis ook. In het slechtste geval viel er wel eens een niet zo zacht woordje, maar daar bleef het bij. Vader ging meestal naar Club maar soms ook naar Cercle, moeder trok zich van geen voetbal aan, en wij, wij waren meer broers van elkaar dan dat we groen of dat wij blauw waren. 

Voetbalminnend Brugge daverde op zijn grondvesten toen Robert in 1962 naar Cercle trok. Geen ‘blauwen’ en geen ‘groenen’ die dat mogelijk had geacht…

Met als clou dat Robert scoorde in de eerste derby die Cercle na meer dan 30 jaar op de Klokke won. Het werd 1-3. Jarenlang hadden de Clubsupporters er zich aan geërgerd dat Robert zo moeilijk de weg naar de goal vond, jarenlang hadden Cerclesupporters daar plezier aan beleefd, en nu scoorde Robert voor Groen-Zwart en dan nog wel tegen Club. Bij een magistraal schot van bijna aan de middenlijn zoefde de bal warempel tegen het net van kameraad Fernand Boone! Robert speelde drie jaar bij Cercle, 57 competitiematchen, 5 bekermatchen en hij scoorde driemaal. Dat Robert naar Cercle kon overgaan, laat nog eens zien dat de kloof tussen blauw en groen bij ons niet zo onoverkomelijk was. Adrien was misschien nog de hardste Clubman, maar dat neemt niet weg dat hij trouwde met de zus van Pietje Roggeman.

Ik mag dit interview niet afsluiten zonder eresaluut aan Maria, Ghislains vrouw, die altijd alles van heel nabij meebeleefde en blijft meebeleven. Ook het interview. Ghislain grapte dat hij onlangs de dokter verteld had dat hij nog 17 jaar geduld moest hebben met hem, want dat hij 100 jaar zou worden. “Dat kan best,” zei de dokter, maar hij  vreesde dat het voor Maria, even oud als Ghislain, moeilijker zou te realiseren zijn. Maria komt beter voor de dag dan Ghislain, haar rugpijn zie je niet, terwijl je er niet naast kunt kijken dat Ghislain voor al zijn doen en laten aan haar overgeleverd is. Zij is, hoe moeizaam en veeleisend het ook mag zijn, Ghislains armen en zijn benen. Ook met twee ‘nieuwe’ knieën lukt het Ghislain niet zich alleen te verplaatsen. Het is bijzonder jammer dat ook zijn rechterarm weigert te functioneren. Heel de living hangt vol met schilderijtjes en pentekeningen, vrucht van één van de hobby’s die hij  heeft moeten opgeven.  Fietsen kan Ghislain uiteraard al lang niet meer, hoe gedetailleerd de statistieken ook zijn van zijn vroegere ritten als eenzame fietser. Ook de Beernemse wandel’vereniging’ behoort tot het verleden, net zoals het afdrukken van duizenden dia’s, die hij wel nog regelmatig bekijkt. En toch, en toch liet het bandje met het interview niet alleen horen hoe graag ‘die mens’ vertelt, even overtuigend drukte Ghilains enthousiasme uit hoe graag hij lééft.

(Georges Volckaert)

Gerelateerde nieuwsberichten

Cerle Brugge KSV
Retro - Bram Vandenbussche

Retro

Bram Vandenbussche
 

"Voetbal: oorlog of feest?"


Hoelang, lezer, heb je Bram Vandenbussche in Cercleshirt zien strijden op het groene veld?  Zelfs meer dan twintig jaar is niet uitgesloten!  Naar zijn eigen zeggen, deed hij dat “met het mes tussen de tanden”.  Wat vermoed je dat hij antwoordde op de vraag of voetbal oorlog is of feest?  Ik heb die vraag al aan heel wat ex-Cerclespelers gesteld, maar Brams antwoord was uniek.  Spitsvondig was het, maar vooral knap.  Dat hoeft je niet te verwonderen, want net als Eddy Snelders is Bram ‘niet de eerste de beste’.  En zo zadel ik je voorlopig met twee open vragen op: wat komt Eddy Snelders hier te doen in dit interview, en wat was dan wel Brams antwoord op de gestelde vraag?  Wel zoals een match geen seconde eerder ten einde is dan wanneer de ref affluit, zo ook kom je pas bij het eindpunt van de slotbeschouwing alles te weten dat Bram te vertellen had…

Het zag er eerder beroerd uit voor Groen-Zwart toen het op 14 februari 2005 naar het Kiel trok om er Beerschot te bekampen.   Bij Cercles tweede jaar in Eerste na de promotie halfweg 2003 dreigde de degradatiezone dichtbij te komen, en niet alleen voor de nieuwe trainer, Harm van Velthoven, was het bijzonder belangrijk niet verder naar die gevarenzone af te glijden.   Bram, is die wedstrijd op Beerschot vast in je geheugen blijven steken?
 

Lees meer
Cerle Brugge KSV
Alles op zijn tijd - Anthony Portier

35 jaar is Anthony Portier.  Dat is uitzonderlijk jong om al geïnterviewd te worden voor de rubriek ‘Retro’ van  Shot On-Line.  Niet eens half zo oud is hij als Willy Craeye, de vorige ex-Cerclespeler die ons zijn wedervaren bij Groen-Zwart uit de doeken deed. De reden van dit vroege interview ligt echter voor de hand: Anthony heeft zijn voetbalschoenen definitief aan de haak gehangen.  ‘Definitief’?  Hoe geëngageerd ook, hoezeer ook met volle overgave hij zijn voetbalcarrière met alles erop, eraan en errond beleefd heeft, en hoewel zijn gehavende knieën het niet onmogelijk zouden maken nog tegen het ronde leren ding te trappen, toch lijkt het me niet dat Anthony beter het “Zeg nooit, nooit,” indachtig zou zijn.

Anthony, na turbulente jaren bij het KV Oostende-van-lang-voor-Coucke, heb je zeven en een half jaar bij Cercle gespeeld, om daarna het wat lager op te nemen bij Union St.-Gillis, Beerschot-Wilrijk en ten slotte Spermalie Middelkerke.   Wat komt je het eerst voor de geest bij deze opsomming? 

Op mijn vijfde startte ik bij Gold Star Middelkerke.  KVO trok mij als jeugdspeler aan, en ik was pas zestien toen ik al bij de eerste ploeg de bank met wedstrijden op het veld afwisselde.  Door allerlei perikelen lagen bij KVO hemel en hel dicht bij elkaar, zodat ik er speelde in Eerste, in Tweede en in Derde Klasse.  Tijdens het tussenseizoen van 2005 – 2006 keek Cercle Brugge uit naar een centrale verdediger die kon inspringen voor Djordje Svetlicic die last had van blessures, en zoals ik nadien vernam, heeft Franky Van der Elst mij bij Groen-Zwart aanbevolen als een jonge, beloftevolle kracht.  KVO deed het matig in Tweede, en de kans om bij Cercle binnen te geraken, kon ik niet aan mij laten voorbijgaan.  Al was het dan altijd in Eerste Klasse, gespreid doorheen mijn lange Cerclecarrière hebben zowel ‘de Vereniging’ als ikzelf wel en wee meegemaakt dat ver uiteen lag.  Halfweg 2013 waren Cercle en ik op elkaar uitgekeken, en ik sloot mijn loopbaan als voetballer af met één jaar Union, twee jaar Beerschot en anderhalf jaar Spermalie Middelkerke.  Bij Union werd het een tegenvaller, maar bij Beerschot speelden we tweemaal kampioen.  Helaas, bij de laatste kampioenenmatch kon ik er niet bij zijn.  Nadat ik vroeger al aan de rechterknie geopereerd werd, was het nu de beurt aan mijn linkerknie: kruisbanden gescheurd, kraakbeenletsel, meniscus…

"Glen De Boeck maakte me een betere speler".

Ik kan me onmogelijk vergissen in wat bij Cercle je hoogtepunt is geweest.  Je speelde immers 33 competitie- en 4 bekermatchen in - tien jaar geleden nu al! – het eerste Cerclejaar van Glen De Boeck.  Laat mij meteen vragen of het werkelijk dankzij Glen is dat Cercle zo schitterend presteerde.  Je hoort en leest immers courant dat Glen profiteerde van het werk van zijn voorganger, Harm van Veldhoven.

Zonder dat dit iets afdoet aan wat Harm Groen-Zwart heeft bijgebracht of aan de gedrevenheid van ons team zelf - waarbij ik vooral aan Denis Viane denk - kan ik verzekeren dat Cercle dat uitzonderlijke succes echt wel aan Glen te danken had.  Nooit heb ik zwaarder moeten trainen dan onder Glen, maar zijn specifieke aanpak rendeerde.  Hij wist zijn eigen jarenlange ervaring bij Anderlecht op ons over te brengen, en voor mij als centrale verdediger was dat extra leerzaam doordat hij bij paars-wit op die plaats speelde.  Zeker weten, hij heeft me een betere speler gemaakt.  Hoe de man afdekken, hoe instappen, hoe het spel lezen, beter dan andere trainers wist hij het uit ervaring en hamerde hij het erin.Om het bij één voorbeeld te houden:  Nogal wat trainers wensen dat je als verdediger aan een aanvaller ‘plakt’.  Glen wou vooral dat de tegenstander niet kon weten waar jij juist stond en wat jij van plan was. Leun je tegen hem aan, dan heeft hij je door, hij weet of hij het best naar links of naar rechts draait, en hij is ervandoor voordat jij het kunt beletten.  Sta je echter een paar stappen achter hem, dan zie je gauw wat hij wil, en je krijgt de kans  om gepast in te grijpen.   Ook één voorbeeld van zijn harde aanpak geef ik je graag. Toen Cercle een samenwerkingscontract met  Blackburn had, trokken we in juli 2008, nog voor het begin van de competitie, naar de terreinen van de Rovers voor een oefenstage.  We moesten ’s morgens om 7 uur op Olympia zijn en een kwartier later een duurloop van een uur in het rood beginnen in Tillegembos. Dat ‘in het rood’ komt erop neer dat we ons maximum moesten weten te bereiken.  Wie het niet goed deed, moest in Blackburn die duurloop overdoen. Op Tillegem volgde anderhalf uur bus naar Zaventem, twee uur vliegen, anderhalf uur naar Blackburn, bagage uitpakken, en een uur later bijna drie uur gaan trainen op het veld. Het werd een helse week, en blijkbaar was ik zo vermoeid en gefrustreerd dat ik me tijdens een oefenpartijtje dat we daar speelden, niet tegen de Rovers zelf, een rode kaart liet aansmeren door een aanvaller die heel de tijd ambetant deed. 

Wat was Glen eerder, een trainer die bereikte dat de spelers er individueel op vooruitgingen of een ‘team’trainer?

Och, de persoon van Glen De Boeck bestaat voor 99 procent uit ‘voetbal’, van mens tot mens over iets anders praten met hem is onmogelijk.  Het is geen toeval dat hij van het zakenleven gauw weer in de wereld van het voetbal is gedoken, en het is evenmin een toeval dat Kortrijk momenteel met hem zo knap presteert.   Uiteraard is het Glen zoals elke trainer vooral om het team zelf te doen, maar bij wederzijds vertrouwen kan hij ploeg en speler het beste doen bereiken dat voor hen haalbaar is.

Hoewel Cercle bij Glens tweede seizoen Thomas Buffel wist aan te werven, toch was het wellicht uitgesloten dat Groen-Zwart het even goed zou doen als tijdens Glens eerste?  En wat Thomas betreft, hij scoorde slechts drie doelpunten in dertig competitie- plus vier bekermatchen.  Vermoedelijk was hij niet helemaal hersteld van de blessures die hij bij Glasgow Rangers had opgelopen?

Het belangrijkste dat voor een stuk ontbrak tijdens dat seizoen was juist dat wederzijds vertrouwen, en dit in het bijzonder tussen Glen en Thomas.  Glen had een voor hemzelf duidelijk omlijnde visie op  ‘zijn’ ploeg en op alle pionnen die ervoor in aanmerking kwamen, maar naast Thomas ook beschikkend over kleppers als Tom De Sutter en Stijn De Smet viel het hem moeilijk alle kwaliteitsspelers op de voor hen meest aangewezen plaats te laten uitkomen.  Nu, zo kwalijk was dat seizoen ook niet. Bij de winterstop stonden wij nog vierde, maar Tom vertrok naar Anderlecht.  We werden negende en haalden de halve finale van de beker in Mechelen, waar we met de strafschoppen verloren.  Nog beter bekerden we het jaar daarop: al verloren we de finale op de Heizel kansloos met 3-0 tegen Gent, we hadden zelfs Anderlecht uitgeschakeld om die finale te bereiken.

Tijdens dat ‘jaar daarop’, waren Stijn De Smet en Bram Vandenbussche er niet meer bij.  Ze waren respectievelijk naar AA Gent en naar Roeselare vertrokken. Wat was het grootste verlies voor Cercle, dat van een speler met veel talent of dat van een speler met niet slechts een Zwart-Groen hart, maar een speler die Groen-Zwart kleurde van kop tot teen?

Ik bekijk het alleen maar zo: beide spelers hadden gelijk, ze maakten een goede keuze.  Niemand zal dat ontkennen voor Stijn, en Bram, door de  Zwart-Groene supporters op handen gedragen, kon met een gerust gemoed zeggen: “Ik heb een schone periode gehad bij Cercle, het is er goed geweest.” Niet dat het leuk was voor Bram, maar het is geen schande een stap opzij te zetten uit Eerste Klasse.  Bram zag zijn eigen beperkingen in, en een speler kan onmogelijk blijven drijven op enthousiasme en liefde voor de ploeg die hem gestuwd heeft naar het maximaal haalbare.

Naast verschillen zie ik ook overeenkomsten tussen Bram en jezelf als voetballer.  Heb ik het juist voor?

Daaraan is er geen twijfel mogelijk.  Zoals Bram was ook ik een karakterspeler, lang niet de rapste of de meest verfijnde voetballer. Allebei moesten wij het hebben van onze tomeloze inzet, van onze wilskracht.  Al dan niet in dezelfde mate als bij Bram, kenmerkten mij harde duelkracht, een stevig kopspel en, zoals ik al zei, goed het spel kunnen lezen, aanvoelen dus waar het spel naartoe gaat. 

Na de verloren bekerfinale kon Glen zijn vierde jaar bij Cercle beginnen.  Hij ‘kon’ het, maar hij deed het niet.  Spreken we maar niet over de wijze waarop hij Cercle in de steek liet, maar zeg even: “In voetbal zoekt iedereen het beste voor zichzelf.  Had Glen, louter zakelijk gezien, gelijk?”

Absoluut niet.  Van Cercle weggaan was het domste dat hij kon doen.  Hij zat vast in het zadel bij Cercle, had ‘de Vereniging’ een goed stuk professioneler gemaakt, en had de mogelijkheid wat hij begonnen was nog jaren aan een stuk verder uit te bouwen.  Hij had alles naar zijn eigen hand kunnen zetten.  Overigens, hoewel het niet altijd koek en ei was tussen hem en mezelf, hij is zeker de beste trainer die ik heb gehad.  Zijn opvolger, Bob Peeters, stond als trainer twee trappen lager in mijn ogen.  De Boeck ging zijn eigen gang,  hij voerde uit wat hij in zijn hoofd had.  Peeters kon het wel uitleggen, maar doordat hij die zelfzekerheid van Glen niet had, ging er minder zelfvertrouwen van hemzelf naar zijn spelers over.  En qua fysiek kon hij ons niet zo scherp houden als Glen.

"Van alle medespelers die ik bij Cercle gehad heb, heb ik het meest in bewondering gestaan voor Oleg Iachtchouck".

Je speelde ruim twee jaar onder Peeters.  Tijdens zijn derde jaar en jouw laatste bij Cercle, 2012 -2013, werd hij vervangen door Foeke Booy, die daarna zelf de plaats moest ruimen voor Lorenzo Staelens.  Met slechts 14 punten eindigde Cercle als laatste in de reguliere competitie, maar een miraculeuze redding in  PO3, na onwaarschijnlijke uitschakeling van Beerschot  en groepswinst tegen Westerlo, Moeskroen en White Star Woluwe, betekende slechts twee jaar uitstel van degradatie.  Je zei al dat Cercle en jijzelf halfweg 2013 “op elkaar uitgekeken” waren.  Hoe heb jij dan dat laatste seizoen van jou bij Groen-Zwart beleefd?  

Laat Cercle die ‘miraculeuze redding’ alleszins maar veel meer toeschrijven aan Eidur Gudjohnsen dan aan mij!  Ik kreeg slechts  14 keren de kans om aanvallers het scoren te beletten dit jaar, en na een tweedeseizoenshelft als bankzitter werd ik wel nog het veld opgestuurd  tijdens de laatste match op Westerlo, waar we 5-0 om de oren kregen.  Het ergste voor mij was dat Cercle me bij de jaarwisseling belette een droom te realiseren.  Er was een reële kans dat ik naar het Ujpest Boedapest van de zoon van Duchâtelet kon vertrekken, maar Cercle lag dwars.  Ik was er echt op uit eens zelf te ervaren wat ik zovele medespelers van me heb weten meemaken wanneer ze ver van huis gingen voetballen.  Met Frans Schotte had ik een akkoord dat ik bij Cercle weg kon bij een aanbod uit het buitenland, maar dat stond niet op papier en hij was het niet die me tegenhield.  Dat ik niet op dankbaarheid vanwege Cercle mocht rekenen, verwonderde me niet, want het woord ‘dankbaarheid’ komt in geen enkel voetbalwoordenboek voor.  Kwalijker is dat niet alleen ik, maar nogal wat van mijn ex-Cerclemedespelers, tijdens hun loopbaan bij Groen-Zwart en vooral bij het beëindigen ervan, tegen een tekort aan respect opbotsten.  Om daar  slechts één voorbeeld van te geven:  Van alle medespelers die ik bij Cercle gehad heb, heb ik het meest in bewondering gestaan voor Oleg Iatchouck, zowel op als buiten het veld.  Zo’n voetballer!  Zo’n ploegspeler! Zo’n rustige, eenvoudige mens, en toch vol temperament zodat hij niettegenstaande zijn hart van koekenbrood vinnig van zich wist af te bijten!  Zo’n kameraad met wie ik uren aan een stuk heel interessant over voetbal en alles errond kon babbelen – in het Frans dan nog wel!  Welnu, dat doe je toch niet met iemand bij wie zijn schitterende, op en top professionele carrière er stilaan begint op achteruit te gaan: Oleg had geen keuze, hij moest eerst van Brussel naar Brugge rijden om dan in de bus te stappen naar Luik en er bij de reserves te spelen…

"ik zeg altijd wat ik denk".

En jij, moest je vertrekken bij Cercle, of had het gewoon geen zin meer dat je bij Groen-Zwart bleef?

Er was mij voorgeschoteld dat er in mei zou ‘gepraat’ worden, maar dat kwam er niet van.  Na mijn laatste match liet mijn manager me weten dat Cercle hem had laten weten dat mijn contract niet verlengd werd.  Ik vernam het alleen ‘via’, en zelfs op de traditionele eindseizoenbarbecue bij Geert Leys was er niemand van het bestuur die me erover aansprak.  Kijk, ik heb veel aan Cercle te danken, de mogelijkheid om zo lang in Eerste Nationale te spelen, maar Cercle heeft ook heel wat aan mij te danken, altijd ben ik er honderd procent voor gegaan.  Rancuneus ben ik niet, maar ik zeg altijd wat ik denk, mijn trainers kunnen ervan meespreken, en het heeft me wel wat gedaan dat ook de Vereniging die geroemd wordt om het familiale karakter, de eigen spelers aanpakt als een radertje in het grote geheel.

Ja, vooral aan de manier waarop spelers weggestuurd worden, aan communicatie met hen, valt er blijkbaar te sleutelen…   Groen-Zwart ligt nu vier en een half jaar achter je.   Het is in de krant te lezen dat je het voetballen voor bekeken beschouwt.  Kniekwetsuren maken het je blijkbaar onmogelijk op je vijfendertigste nog verder te voetballen?

Neen, goed gesteld met mijn knieën is het niet na die operaties eraan, maar zo erg dat ik noodgedwongen het voetballen moet stoppen is het evenmin.  Op scharniermomenten moet een mens echter durven keuzes te maken, en verergering voorkomen is beter dan risico te lopen.  Bovendien, voetballen is heerlijk zolang  jij je er met hart en ziel kunt voor inzetten, zodat je er plezier aan beleeft.  Mijn laatste periode bij Cercle en wat ik bij Union meemaakte, waren echter niet om erbij te jubelen.  Belangrijk is ook dit: ik geef lang niet alle sport op.  Ik golf regelmatig, en zie ernaar uit golfsurfen en mountainbiken weer op te nemen.  En nog van groter belang: tijdens de weekends zal mijn agenda me toelaten te doen wat wij wensen, me niet langer dwingen mijn verplicht voetbal op te dringen ten koste van de voorkeur van mijn vrouw, Sara.  Ook onze twee zoontjes, Santiago, nu bijna zeven, en Cruz, volgende maand vijf jaar oud, zullen er heel wel bij varen.

Ik kan me niet voorstellen dat ook maar één van ons, lezers, Anthony zou tegenspreken als hij voorhoudt dat een mens op scharniermomenten keuzes moet maken.  Het merkwaardige is echter dat Anthony zich zo klaar en duidelijk realiseert hoe vrij en hoe belangrijk zijn keuze wel is.  Ik vermoed dat nogal wat voetballers die het beste achter de rug hebben, er niet toe komen zo radicaal het roer om te gooien.  Gelijk hebben ze zolang ze het voetbalspel als een hobby kunnen beleven zonder dat dit  een bedreiging is voor hun fysieke gesteldheid, hun familiale, financiële of sociale situatie.  Tot een terechte beslissing komt echter niemand als hij niet begint zoals Anthony het aanpakt: met open ogen zien en oordelen waar men staat.  Zegt iemand: “Nooit”, dan is dat niet noodzakelijk een woord dat onvoldoende overwogen is…

(Georges Volckaert)

Lees meer
Cerle Brugge KSV
Kampioenen!

Na publicatie van dit stukje zijn er nog twintig dagen te gaan tot de viering van Cercle in Brugge.  Als opwarmertje even een terugblik op de vorige promotie.  

Vijftien jaar geleden promoveerde Cercle, na een verblijf van zes jaar in tweede, terug naar eerste afdeling.

Ook toen was het super spannend tot het eindsignaal in de laatste wedstrijd.  Geen dubbele finale zoals nu, maar de allerlaatste competitiewedstrijd.  Bij Groen-Zwart altijd suspense, nietwaar?

In mei 2003 kon Cercle kampioen spelen op één speeldag voor het einde.  Mits winst op het veld van Zulte-Waregem was het feesten geblazen.  Een indrukwekkend Groen-Zwart supporterslegioen trok naar de Gaverbeek.  Lang zag het er naar uit dat de buit binnen was.  De scheidsrechter besloot er anders over en gaf de Gaverbeekjongens een strafschop cadeau en Denis Viane rood.  Een duidelijke strafschopfout er na op Arys leverde … een gele kaart  op voor onze aanvaller.  Je zou hier een “Brys’ke” kunnen over opzetten.

Het moest dan maar thuis gebeuren op de laatste speeldag (11 mei) tegen het bescheiden Dessel Sport.  De schrik sloeg iedereen om het hart toen de bezoekers zowaar op een 0-1 voorsprong kwamen.  Twee kopbaldoelpunten van Sebastien Stassin zorgden echter voor de langverwachte (en broodnodige) promotie.

De toen ongeveer 6000 toeschouwers gingen uit de bol.  

Op zaterdag 24 mei werd Cercle gehuldigd door zowel de stad Brugge (Burgemeester Moenaert) publiekelijk op de Markt, als door de Provincie West-Vlaanderen (Gouverneur Breyne) in het Provinciaal Hof.  

Tot 21 april 2018.

Georges Debacker
Hoofdredacteur SHOT-online

Lees meer
Cerle Brugge KSV
Niet uit de lucht gegrepen - Hans Gerard

Het is geen toeval, lezer, dat de ex-Cerclespeler van wie u een interview voorgeschoteld krijgt, Hans Gerard is.  Hebt u de Shot-on-Linerubriek: “Cercle en Brugge door de jaren heen, deel 204 “ van 19 mei 2018 gelezen, dan begrijpt u meteen wat de aanleiding tot dit interview was.   Wellicht hoopte u zelfs dat er klaarheid zou volgen op wat u daar te lezen kreeg.  Is het u niet duidelijk waarover het hier gaat, dan raad ik u aan dat ‘deel 204’ door te nemen , bij voorkeur nog voordat u verder leest.  Vooraleer we over ‘dat hoofdstuk’ uitweiden, heeft Hans echter nog iets heel anders te vertellen…

Toen ik je telefonisch contacteerde, Hans, zei je me dat het een wonder is dat jij nog kunt geïnterviewd worden.  Blijkbaar had een recent ongeval fataal kunnen zijn voor jou?

Ja, en dat is pas drie maanden geleden.  In Sint-Pieters werd ik op het fietspad door een auto aangereden.  Die wagen zwierde mij in de lucht.  Ik kwam eerst op het dak ervan terecht en daarna op de grond.  Er was spoedig maar langdurig medische hulp, en ik kwam op de afdeling intensieve zorg van het AZ Sint-Jan terecht.  Om het uur kreeg ik er verzorging,  twaalf dagen lang.  Het zag er niet goed uit: ik lag daar met mijn nog recente ‘nieuwe heup’ verbrijzeld, schouderblad en vijf ribben gebroken, rechter schouder volledig uit de kom, een klaplong, genaaid zowel bovenaan als onderaan.  Eigenlijk heb ik geluk gehad in mijn ongeluk, maar dat mijn herstelproces nu bijzonder vlot verloopt is geen toeval.  Dat heb ik aan mijn positivisme te danken.  Mijn lichaam en mijn geest zijn al lang zo harmonisch op elkaar afgestemd dat ik fysiek en psychisch in een perfect fifty-fifty evenwicht leef.  Vóór mijn ongeval fietste ik dagelijks dertig tot veertig kilometer.  Kijk je hier even rond, dan vallen je ogen niet alleen op een hometrainer, maar je ziet overal  boeken en brieven liggen.  Dit Franstalige boek hier, “Energie Cosmique”, is toplectuur. Hadden alle mensen er maar een idee van wat uitgaat van een goede lichamelijke conditie en ontvankelijkheid voor de geesteskracht van een positieve levenshouding!

Niet alleen een wonder, ook een geluk voor jezelf en voor onze lezers is het,  Hans, dat ik je vandaag mag interviewen.  Je speelde drie jaar voor Groen-Zwart, van 1957 tot ’60.  Het is duidelijk dat het venijn in de staart zit, maar beginnen we toch maar bij jouw prilste begin.  Op 1 april 1936 werd er in Nieuwpoort een wel heel bijzondere aprilvis geboren.  Waren er onder de mensen die bewonderend in het wiegje keken ook broers of zussen van je, of kwam je ter wereld als de eerstgeborene van het gezin?    

Ik was de derde in de reeks van tien kinderen - eigenlijk de vierde, maar een zusje was gestorven.  Mijn vader was een hardwerkende landmeter, die duidelijk liet verstaan dat hij ons  liever over de studieboeken gebogen zag dan aan het sporten.  Mijn moeder werd door iedereen als een heel bijzondere persoonlijkheid erkend.  Voordat ze trouwde was ze hoofdverpleegster bij de bekende professor en chirurg Joseph Sebrechts in Brugge, en thuis was ze een fantastische moeder, die tegelijkertijd als een dokter was voor ons. 

Je voetbalde al in de wieg?

Al vroeg ‘sportte’ ik graag.  Fietsen, tennis, wat atletiek, lopen vooral.  Toch spande voetbal de kroon.  En het ging goed.  Wat schiet er zo meteen mijn geheugen te binnen?  Een matchke dat we met 9-4 wonnen toen ik nog kind was.  Ik scoorde er vijf van de negen.  En dat deed de ronde in Nieuwpoort!   Ook herinner ik me levendig een match op de Gistfabriek tegen ‘de Frères’: ‘k Zal dan twaalf geweest zijn, en ik mocht meespelen met de ploeg van het Brugse Sint-Lodewijkscollege.  Ik studeerde er Grieks-Latijn, en sommige spelers waren vijf jaar ouder dan ikzelf.

"Ik voetbalde dolgraag, beleefde plezier aan het spel, en dat was wat telde voor mij"

Toch was je al 21 toen je van Nieuwpoort in Provinciale naar Cercle trok in de op één na hoogste afdeling van het land.  Was Cercle een zeer bewuste keuze?

Eigenlijk niet.  Ik kende Cercle nauwelijks, had er nog geen enkele wedstrijd van gezien.  Het was Robert Braet die het klaar kreeg om me naar Cercle te loodsen.  Ook A.S. Oostende was een mogelijkheid geweest.  In de loop van mijn voetbalcarrière is een transfer naar een andere ploeg meer dan eens ter sprake gekomen.  Ik kon naar Anderlecht, maar mijn vader lag dwars wegens mijn studies architectuur aan Sint-Lucas in Gent - later heb ik  voor de bouw gewerkt, maar langer als verzekeraar.  Nadat ik goed presteerde als gelegenheidsspeler op Clubs Paastornooi, waar het heerlijk samenspelen was met technisch knappe spelers als Berre Deurwaerder en Fernand Goyvaerts, keek Club onder trainer Höffling begerig naar mij uit.  Ik ben zelfs bij Michel Van Maele thuis op bezoek geweest, maar Cercles bestuur, vooral Lucien Dhondt,  was niet te vermurwen.  Na de inhuldiging van Cercles lichtinstallatie  met een match van Groen-Zwart tegen Stade Reims in november 1957 had ik naar die Franse kampioeneploeg gekund.  En nadat ik al weg was bij Cercle had Beerschot een goed bod voor mij over.  Kijk, dat zijn dingen die ik me allemaal herinner, maar feitelijk  was het mij grotendeels gelijk voor welk team ik speelde.  Ik voetbalde dolgraag, beleefde plezier aan het spel, en dat was wat telde voor mij.  Ook nu nog volg ik graag matchen op tv, maar niet om het even welke.  Genieten kan ik alleen van creatief voetbal, individuele nummertjes, vlug doorspelen van de bal,  posities innemen, knappe combinaties, opentrekken van het spel.  Velen die naar het voetbal gaan, kijken haast uitsluitend naar de bal.  Ze zien die vliegen van achter naar voor, van rechts naar links,  heen en terug, maar ze hebben er geen oog voor hoe de spelers patronen vormen over het terrein.  Gisteren zag ik de Belgen in hun laatste oefenpot voor het WK 4-1 winnen tegen Costa Rica.  Wat een genot voor het oog Kevin De Bruyne en vooral Eden Hazard over het veld te zien draven met de bal aan de voet of positie kiezend om gaten te kunnen trekken.  Vraag me niet of voetbal oorlog is of  feest: het is alleen voetbal als het een spel is, een spel waarbij je kunt genieten van het oogstrelende, vooreerst als speler, maar evenzeer als toeschouwer.  Al speelde ik destijds natuurlijk om te winnen, het zal wel waar zijn dat ik soms eerder uit was op het speelse, het technisch vaardige, het creatieve, dan op het resultaat: Ik dribbelde zo graag…  

Bij Cercle maakte je vlug furore.  Maar heel lang duurde de pret niet.  Na drie jaar kwam er een bizar slot aan.  Op het einde van het seizoen 1959-’60 kreeg Cercle nog onverhoopt de kans om naar de hoogste afdeling te promoveren.  De beslissing viel bij een testwedstrijd tegen Patro Eisden op het veld van Club Mechelen (het huidige YR KV Mechelen).  Cercle verloor met 2-1.  Ik herinner me die match bijzonder goed en toen ik naar huis reed, was ik niet alleen over de uitslag ontgoocheld maar ook over het gebrek aan strijdlust bij Groen-Zwart. Toen, jaren later, het prachtige “Cercle Brugge KSV 1899-1989” van Roland Podevijn van de drukpersen kwam, las ik erin: “De wedstrijd mondde voor de talrijke Brugse supporters uit op een enorme ontgoocheling.  Na een effenaf teleurstellende Cercleprestatie werd er met 2-1 verloren.  Enkele spelers hadden tegen hun gewoonte in opvallend gelaten, inspiratieloos en ondermaats gevoetbald … Dat was niet ‘normaal’!”  Jij, Hans, kon het niet geweest zijn die ‘ondermaats’ presteerde, want  … nadat je 12 goals had gescoord in 24 matchen, was jij er niet bij – je mocht er niet bij zijn!  Maar wat las ik enkele dagen geleden op Shot-on-Line?  Weliswaar had ik al ‘geruchten’ die niet minder suggestief waren dan bovenstaand citaat voordien opgevangen, maar wat ik daar las, was niet om er stil bij te blijven zitten.  Vandaar het verzoek van onze hoofdredacteur om te luisteren naar jouw visie erop.

[Ter wille van de lezer die het vermelde ‘deel 204’ niet leest, citeer ik één zin uit die tekst, kort na de testmatch in het Brugsch Handelsblad verschenen:  “De trainer en zijn blinde volgelingen hebben waarlijk te veel ‘met zijn voeten gespeeld’ en anderen zouden het wellicht reeds lang stilgelegd hebben.”  Na lectuur van de volledige tekst, reageerde Hans als een gentleman: feiten ontkennen kon hij niet, schuldigen vrijpleiten kon hij evenmin, maar hij stond erop ook na zo lange tijd de sluier van de anonimiteit te behouden boven het hoofd van wie trainer Delfour zijn eigenzinnigheid liet doordrijven.]

Straks is het zestig jaar geleden, Hans, maar hoe kijkt u op de dag van vandaag daar tegenaan?

Al wat hier gezegd wordt, klopt.  En de testwedstrijd heb ik gezien … van op de tribune.  Hoe zat het allemaal juist in elkaar?  Heel het gebeuren, heel de achtergrond ervan, was mij duidelijk van naaldje tot draadje.  Het was trouwens niet de eerste keer dat het voor de spelers interessanter was niet te winnen, en dat niet alleen voor hen die vermoedelijk geen kans zouden krijgen in de hoogste afdeling.  Er komt nu nog een binnenpretje bij me op als ik denk aan een match op A.S. Oostende.  Wat panikeerden we toen Vic Derboven ons van ver van het doel af op voorsprong schoot!  We mochten niet winnen, en ja, hoor, het lukte ons om met 3-2 het onderspit te delven.  Dat was nog vóór het seizoen dat op die testmatch eindigde.  Ja, dat ik al een tijdje voor de testmatch aan de zijlijn gehouden werd, niet zelf het veld mocht opdraven, lag inderdaad zoals het artikel te verstaan geeft, niet alleen, zij het wel vooral, aan Edmond Delfour.  Ik weet heel goed hoe ik hem op de tenen had getrapt, maar wat zou eraan gewonnen zijn als ik dat uit de doeken deed?  Het komt er wel op neer dat ik mijn ogen niet sloot waar hij me dat liever had zien doen.  Wat kan ik hier verder nog over zeggen?  Dit alleszins, dat ik er geen trauma aan overgehouden heb, lang niet.  Ik had graag bij Cercle gespeeld, maar zo kon het niet verder.  Als het er zo aan toeging, kon ik er geen plezier meer aan beleven.  Ofwel voetbalde ik niet meer, ofwel werd ik getransfereerd.

Het werd een transfer naar Union Sint-Gillis, en kwalijk viel dat nu precies ook niet uit, want ‘den Union’ speelde in de Eerste Afdeling.  Cercle promoveerde dus niet, maar jij wél!

Bij Union kwam ik wel in onze hoofdstad terecht, maar niet in de hemel!  Ik was er semiprof, maar er was meer dat tegenviel dan dat er meeviel.  In een match tegen Beerschot werd ik brutaal gekwetst.  Er volgde een meniscusoperatie, en daarbij werd ik ‘mismeesterd’.  Onze trainer was niet vrij van vriendjespolitiek, en op het einde van mijn tweede jaar degradeerden we.  S.K. Roeselare lijfde me in, en ik trof er Robert Goethals aan, die een prima trainer was en mij weer intense vreugde in het spel bezorgde. Toen hij drie jaar later naar V.G. Oostende trok, vroeg hij me mee, en met de kustjongens speelden we kampioen.  Ten slotte heb ik nog even in Wevelgem gevoetbald.  Tijdens het weekend gaf ik daar tennisles, en dat ik een half jaartje trainer-speler werd bij S.V. was grotendeels een vriendendienst.

Na de desastreuse testmatch halfweg 1960 vreesden velen dat het met Cercle  bergaf zou gaan, te meer doordat jij er niet meer bij was, maar promotie was slechts uitgesteld.  Eén jaar later promoveerde Cercle als tweede, samen met kampioen Diest. Weet je nog hoe dat bij jou overkwam, hoe jij daar tegenaan keek?

Wel, al speelde mijn broer Jo nog bij Groen-Zwart, zelf had ik niet alleen niets meer met Cercle te maken, maar ook psychisch had ik afstand genomen van wat toch voorbij was.  Voetbal is in tegenstelling tot mijn druk zakenleven altijd een bijzaak geweest voor mij.  Ik draag Cercle geen rancune toe, en vanuit de loges samen met Fernand Van Damme, zoon van de gewezen burgemeester van Brugge en ex-voorzitter van Cercle, heb ik Groen-Zwart later nog een aantal matchen zien spelen in Jan Breydel.  

Hans woont in hartje Brugge, in het Prinsenhof, zijstraat van de Geldmuntstraat.  Hij is 82 jaar jong.  Dat ‘jong’ schrijf ik niet zomaar.  Erop wijzend dat voor nogal wat mensen op zijn leeftijd de dagen eentonig verlopen, dat elke volgende dag hun als een herhaling van de vorige overkomt, vroeg ik Hans of hij dat ook zo aanvoelde.  Het was eigenlijk een retorische vraag.  Hans’ vitaliteit was me al duidelijk vanaf het begin van het gesprek. Ik kon dan ook niet verwonderd zijn over het centrale woord van zijn antwoord: net zoals bij het voetbal is hij dag in dag uit op niets meer uit dan op ‘creativiteit’.  “Altijd ben ik creatief bezig,” beklemtoont hij, “ik denk, ik lees, ik schrijf, onophoudelijk gedreven door kosmische energie, de basis van het ontstaan en het bestaan van ALLES.”

(Georges Volckaert)

Lees meer
Cerle Brugge KSV
Cijfers zeggen niet alles - Kristof Arys

In Tweede Nationale laat Kristof Arys 7 keren de netten van Cercles tegenstrevers trillen in 13 matchen.  Het jaar erop, in Eerste, lukt hem dat slechts 3 keren in 25 matchen.  “De cijfers spreken voor zichzelf, commentaar overbodig,” zo dacht ik.  “Het komt wel voor dat schijn bedriegt, maar toch niet bij zo’n tegenstelling,”  zo leek het mij!  Voordat  ik bij Kristof aanbelde, kon ik het me niet anders voorstellen dan dat hij zijn tweede jaar in Cercleshirt als een rampjaar had aangevoeld.  Toen ik wat later buitenstapte, was ik wijzer geworden.  Neen, hoe welsprekend ze ook lijken, cijfers zeggen niet alles.  Ook nu nog kijkt Kristof terecht met trots en warme herinnering terug op wat hij bij Cercle presteerde  in Eerste Nationale.

Kristof, na zowat 70 jaar Cercles wel en wee intens van nabij gevolgd te hebben, lopen feiten en namen meer dan mij lief is door elkaar in mijn geheugen.  Maar tijdens welke seizoenen  jij voor Cercle speelde, daarover hoefde ik slecht vijf seconden na te denken.  Hoe zou dat komen?

Er zal zich wel menig Cerclesupporter herinneren dat ik Cercle mocht helpen aan zijn, voorlopig, laatste promotie, en ook wel dat ik één jaar later al een ander oord opzocht.  We spreken over 2002-2003 en 2003-2004.

Je kwam van Deinze, en een gemakkelijke overgang was het niet geweest.  Enkele weken voor je transfer kon ik niet nalaten voorzitter Frans Schotte even aan te spreken en hem te zeggen dat er niets belangrijker was voor Cercle dan een overgang van jou naar Groen-Zwart.  Hij antwoordde: “Ze zijn zot bij Deinze.  Zo’n transfersom als zij vragen, dat is niet redelijk.”

Het is pas in januari 2003 dat ik bij Cercle kwam.  Tijdens het tussenseizoen, een half jaar voordien, zat Cercle al achter mij aan, maar bij Deinze was mijn contract voor twee jaar nog maar halfweg.  Had Cercle tien miljoen frank voor mij overgehad, dan was de transfer meteen geklonken geweest.  Toen Deinze er rond Nieuwjaar niet naast kon kijken dat ik een half jaar later gratis weg kon, lieten ze de vraagprijs zakken, en Cercle verschalkte de concurrentie van onder meer AA Gent, Westerlo en Alemania Aken.

En jij, je was gelukkig met die transfer?

Ik was ermee in de wolken.  Mijn ambitie liep helemaal gelijk met die van Cercle: zo snel mogelijk naar Eerste promoveren.  En die uitdaging was enorm.
Groen-Zwart had zeven punten achterstand op de koploper, Heusden-Zolder. Zelf had ik tussen 1998 en nieuwjaar 2003 respectievelijk bij Eendracht Aalter, KM Torhout en SK Deinze in 119 matchen 89 doelpunten gescoord, waarvan de laatste 13 bij Deinze tijdens de eerste helft van de lopende competitie.  In plaats van tegen de degradatie te moeten vechten, kon ik nu, heel dicht bij huis bovendien, een steentje bijdragen in wat een succesverhaal werd.

Met zeven rozen hielp je Cercle aan de zo vurig verlangde kampioenentitel.  
De laatste twee matchen waren beslissend, en ze staan bij elke Cerclesupporter-van-toen in het geheugen gegrift.  Je scoorde niet tijdens die wedstrijden, maar dat was wellicht niet eens een minidompertje op de uiteindelijke euforie? 

Als spits, aangeworven om te scoren, prik  je, vanzelfsprekend, graag de bal tegen het net zoveel het maar kan, maar voetbal is een teamsport, en het is als team dat je faalt of zegeviert.  Was ik niet terechtgekomen in een ploeg die hecht aaneenhing, een ploeg die een collectieve eenheid was, dan was die toch wel zeer merkwaardige  remonte na zeven punten achterstand onmogelijk geweest. Overigens, één doelpunt en één assist staan me extra klaar voor de geest.  Mijn tweede match bij Cercle was op Deinze, we behaalden een belangrijke 0-1 overwinning, en dat ik toen kon scoren was iets heel bijzonders voor mij.  Tijdens de voorlaatste match, op Zulte-Waregem, zouden we bij een overwinning kampioen geworden zijn, maar het werd 1-1. Tijdens de slotwedstrijd, thuis tegen Dessel, hadden we ons lot in eigen handen.  We kwamen 0-1 achter, maar Sebastien Stassin bezorgde ons de zege met twee kopbaldoelpunten.  Eentje ervan was bijzonder merkwaardig: ik kon ‘een verloren bal’ toch nog voor het doel brengen en in een kluwen van spelers werd het een gouden assist voor het hoofd van Sebastien.

Wellicht een onmogelijk te beantwoorden vraag: Was Cercle in 2003 ook zonder jou kampioen geworden? 

Af en toe kom ik op Olympia, en het is niet uitzonderlijk dat Cerclesupporters me zeggen: “Moesten we joen niet gèt èn da joar, we woaren nooiet kampiejoen gewist.”  En dan voegen ze er nogal eens aan toe dat ik niet lang genoeg bij Cercle gespeeld heb.  Maar het enige dat ontegensprekelijk klopt, dat is dat ik tijdens mijn eerste half seizoen één element was van een ploeg met veel talent gedreven door een enthousiaste teamspirit.

Niet lang genoeg bij Cercle gespeeld?  Kom, laten we er geen doekjes om winden: in Tweede 7 goals in 13 matchen, het jaar erop in Eerste 3 in 25.
Ik vraag me af: Wat zou daarvan de verklaring kunnen zijn?  Is het verschil tussen Eerste en Tweede zo groot?   Lag het aan jouw specifieke talenten, m.a.w. aan het ‘soort’ speler dat jij was?  Kreeg jij te weinig de bal toegespeeld door je medespelers? Of misschien vlotte het niet genoeg van meet af aan, zodat je steeds meer aan zelfvertrouwen verloor?  Is het iets van wat mij als mogelijke verklaring door het hoofd gaat of is het iets heel anders: Wat mag er toch aan de basis hebben gelegen van  zo’n daling van het aantal gescoorde doelpunten??  

Tijdens mijn 19-jarige carrière als voetballer heb ik ongeveer 300 doelpunten gescoord. Toen ik met Cercle naar Eerste promoveerde zag ik reikhalzend uit naar wat voor de deur stond, vol verlangen en vertrouwen. Op het einde van 10 jaar jeugdopleiding bij Club trainde ik mee met de eerste ploeg, met Spehar, Stanic, Okon… Speelminuten in Eerste kreeg ik er niet, ik was er nog niet rijp voor.  En nu, halfweg 2003, ging de grote poort open voor mij.  Echter, echter, voorheen en altijd daarna speelde ik als diepe spits, maar bij Cercle speelde ik in Eerste nooit op die mij zo eigen positie.  Cercle had Nordin Jbari aangetrokken, en het was mijn taak rond hem heen te spelen.  Nordin was een vedette, deed het ook  heel goed, maar ‘meters afleggen’ lag hem niet.  Waar ik gewoon was dat mijn medespelers voor mij de ruimte afdweilden, was het nu mijn taak dat voor hem te doen, zodat hij de afrondende schakel kon zijn.  Nooit heb ik zoveel gelopen tijdens mijn matchen als dat jaar, en ook nooit kwam ik zo zelden in de grote rechthoek voor het doel van de tegenstander.  Kijk je alleen naar de cijfers, dan lijkt 2003-2004 een lelijke tegenvaller voor mij, maar daar zit een heel verhaal achter.  Hoe dan ook, ik was blij dat ik kon spelen in Eerste, dat ik mee timmerde aan de weg, en ik voelde mij niet te goed om  de mij opgelegde opdracht in functie van heel ons team en van Nordin Jbari in het bijzonder met hart en ziel uit te voeren.

"Was Jerko trainer gebleven na zijn eerste jaar in Eerste, dan had mijn verdere voetbalcarrière er heel anders kunnen uitzien."

Ik luister met open mond.  Maar het volgende jaar trok je weg van Cercle.  Uit eigen beweging of moest je weg van Groen-Zwart?

In juli en augustus 2004 trainde ik nog bij Cercle, maar op 31 augustus, de laatste transferdag, hakten Cercle en ik de knoop door: op leenbasis vertrok ik naar de grote verliezer van Cercles kampioenenjaar, naar Heusden-Zolder.  Zowel Cercle als ikzelf achtten dit de beste gang van zaken.  Het Cercle van het voorbije jaar had een ingrijpende verandering ondergaan.  Hoewel hij erin geslaagd was Cercle in Eerste te houden, en hij eerder een gouden medaille had verdiend dan dat, werd trainer Tipuric de laan uitgestuurd.  Harm van Veldhoven verving hem.  Jbari trok naar AA Gent, en Cercle lijfde naast Tom Van Mol drie voorspelers in: Dieter Dekelver, Paulus Roiha, en bijzonder belangrijk voor mij, Darko Pivaljevic.  Er kon geen sprake van zijn dat ik diepe spits zou worden en met een trainer die mij wikte en weegde als “slechts driemaal gescoord”, was er weinig twijfel aan dat ik weinig speelminuten zou krijgen.  Ik trok enthousiast naar Heusden-Zolder, want het zag ernaar uit dat ik het succesrijke Cercleseizoen van twee jaar voordien kon overdoen.  Heusden-Zolder barstte van ambitie. De ploeg bestond echter eerder uit eilandjes dan uit een team, en zoiets leidt onvermijdelijk tot een fiasco. 

Blijkbaar had jij het voor Jerko Tipuric.  Uit verschillende interviews van spelers  is me gebleken dat hun visies over hem  fel uiteenlopen: van oprechte appreciatie tot  veroordeling als was hij eerder een kwakzalver dan een coach.

Ik denk dat de pers hierin een niet al te fraaie rol gespeeld heeft, hem uiteindelijk als een kolderfiguur begon af te schilderen. Het valt niet te loochenen dat hij belang hechtte aan wat voor het voetbal niet eens marginaal genoemd kan worden - de kleur van de urine, de stand van de maan - en dat werd in de pers breed uitgesmeerd, maar Tipuric was een vakman die zowel in kwade als in goede dagen voor een gemoedelijke, een familiale sfeer wist te zorgen.  Ook met spelers van verschillende nationaliteiten liepen we niet als in hokjes naast elkaar.  Het is niet elke trainer gegeven een hele groep concurrenten, waarvan je er onvermijdelijk voortdurend enkele zwaar moet ontgoochelen, zelfs met plezier naar de trainingen te laten komen.  Over wat voor mij volgde op Cercle, ben ik heel tevreden, maar was Jerko trainer gebleven na zijn eerste jaar in Eerste, dan had mijn verdere voetbalcarrière er heel anders kunnen uitzien. 

Je liet al verstaan dat je overgang naar de buurt van de Limburgse mijnen  geen succesnummer was.  Je bleef er dan ook maar één jaar.  Hoe verliep je carrière verder? 

Na dat ene seizoen in het verre Limburg trok ik naar Waasland, eveneens in Tweede, en scoorde er 30 goals in 60 wedstrijden.  Daarna, na mijn twee seizoenen aldaar, trok trainer Dirk Geeraerd naar Roeselare, dat in Eerste speelde.  Ik mocht mee, maar kreeg de kans op een mooie job  in het Onze-Lieve-Vrouw Hemelvaart Instituut op enkele kilometers van mijn deur.  Ik greep dat aanbod met beide handen beet, en ben er nog altijd als preventieadviseur en technisch coördinator werkzaam.  Sportief was het een afdaling van Tweede naar Derde Nationale, bij SV Oudenaarde, maar na interessante tussenstadia, doorgaans in stijgende lijn, ben ik nu actief als sportief coördinator bij F.C. Knokke, dat zopas naar Eerste Amateurs promoveerde.  Niet alleen, maar toch vooral, spoor ik jong talent op bij de Beloften van Club, Cercle, Kortrijk, Roeselare, Zulte-Waregem, Gent.

Sinds enkele jaren komen opvallend veel ex-Cerclejongeren bij Knokke terecht.  Lukraak door elkaar som ik even op: Niels Mestdagh, Kieriën Serpieters, Niels Van de Water, Ruben Vanraefelghem, Jannes Vermeulen, Maarten Cobbaert, Alessio Staelens, Niel Dildick, Maxim Vandewalle.  En Nicolas Tamsin en Steven Van Moeffaert hebben zopas na Knokke een ander oord opgezocht.   Dat het zo’n lange lijst is, is geen toeval?

Bij welke ploegen kan er goed opgeleid jong talent gevonden worden dat vermoedelijk net niet voldoende lijkt voor het eerste elftal van een Eerste of Tweede Klasser, maar dat in aanmerking kan komen voor een ambitieuze amateurploeg als F.C. Knokke?  Zonder nodeloos ver te lopen, is dat bij de ploegen die ik vermelde, en voor ons komt Cercle inderdaad als een waardevolle visvijver voor de dag.  Het komt wel eens voor dat talentrijke jeugdspelers menen dat voor hen een basisplaats gegarandeerd is bij een ‘ploegje’ als Knokke, maar dat staat lang niet bij voorbaat vast.  Voor elke speler die door onze selectie geraakt, is het hard knokken bij Knokke!  En, terloops, toen ik als jonge speler van Club naar Standaard Wetteren in Derde overging, scoorde ik slechts driemaal in 20 wedstrijden.  Tijdens de volgende twee seizoenen trof  ik 27 keren roos bij Eendracht  Aalter.  Voor iedereen, maar voor jongeren in het bijzonder, is geduld een mooie maar een noodzakelijke deugd.

"Als speler van een Eerste ploeg, van Eerste Nationale tot en met Tweede Provinciale, heb ik zeven promoties meegemaakt, en niet één degradatie."

Je beëindigde je loopbaan als veldspeler bijna anderhalf jaar geleden.  Die loopbaan duurde 19 jaar na je opleiding bij Club, verliep bij niet minder dan 14 ploegen, en eindigde bij Wingene.  Bij welke ploegen speelde je het liefst?

Bij Cercle en Waasland, en op minder hoog niveau bij Knokke, Wingene en Gullegem.  Dat waren allemaal succesverhalen: bij elk van die sleepten we de kampioenentitel uit de brand.  Weet je waar ik bijzonder fier op ben?  Als speler van een Eerste ploeg, van Eerste Nationale tot en met Tweede Provinciale, heb ik zeven promoties meegemaakt, en niet één degradatie. Wat gekscherend laat ik af en toe eens horen: “Als je spits een neus voor goals heeft, kun je niet zakken…”

En vandaag de dag, na bijna twee decennia op het veld, kun je ook ernaast  genieten van wat je zich ziet afspelen op de grasmat?

Enorm, enorm plezier kan ik eraan beleven.  Ik ben dan ook rechtstreeks en intens bij het gebeuren betrokken.  Niet alleen spoor ik talent op tijdens een viertal wedstrijden per week , ruimer nog behartig ik heel het reilen en zeilen van onze eerste ploeg, in mindere mate ook van onze beloften. Bovendien ben ik een aanspreekpunt voor onze spelers, voor ons bestuur, en in het bijzonder voor onze voorzitter, die als een succesrijk zakenman weet bepaalde taken te delegeren, zodat ik hem zowel sportief als extra sportief wat kan ontlasten.

Om het interview af te ronden, vroeg ik wat de reporter bij een recent interview in het Brugsch Handelsblad wel kan bedoeld hebben, als hij onder een foto laat volgen: “Kristof Arys wordt in Knokke fel geapprecieerd omwille van zijn voetbalkennis en zijn eenvoud.”  Over ‘voetbalkennis’ stelde ik mij geen vragen, maar waaraan dacht  JPV als hij verwees naar Kristofs ‘eenvoud’?  Kristof zal het wel juist voorhebben als hij meent dat JVP daarmee zinspeelt op het feit dat hij vlot en helemaal zichzelf zijnde contact weet op te nemen met wie dan ook.  Evenzeer voelt hij zich op zijn gemak in het bureau van zijn voorzitter bij Knokke, in het bureau van Vitali of Mannaert, als in om het even welk lokaal van Wingene of rond het veld van om het even welk team.  En omgekeerd!  Het is niet omdat hij in Eerste heeft gespeeld, omdat hij vijf jaar profvoetballer was, dat hij zich te goed zou voelen om met mensen van het provinciale voetbal kameraadschappelijk om te gaan. Een vriendelijke ‘goeiedag’, een praatje slaan met Jan en alleman, een openhartig interview: het typeert en eert Kristof Arys, zonder wie we “da joar, 2002-2003, nooiet kampioen geworden woaren, adden we èm nie gèt.”

(Georges Volckaert)

 

Lees meer